Spring naar bijdragen

Column

  • artikelen
    236
  • opmerkingen
    269
  • weergaven
    19412

Auteurs van dit blog

Voer dit blog

Berichten in deze blog

Hans Knot: Veronica 192, een ‘echt platenblad’

Sinds januari 1965 werd door Radio Veronica wekelijks een gedrukt exemplaar van de Veronica Top 40 verspreid via een groot aantal platenhandelaren. Teenagers namen wekelijks de tijd op donderdagmiddag, vrijdag of zaterdag een exemplaar te bemachtigen, want anders waren ze op. Dit daar er aan bepaalde platenzaken er slechts 100 exemplaren wekelijks, tegen betaling, ter beschikking werden gesteld. Dit hield in dat ook lang niet alle platenzaken de lijst in de winkel hadden liggen.
In Groningen kon je de lijst bijvoorbeeld halen bij Muziekhuis Vink en kreeg je de lijst voorzien van een vette firmastempel. Bij Muziekhuis Hemmes, in de Steentilstraat, lag de lijst ook op de toonbank, terwijl Muziekhuis Boverhof op het Schuitendiep ook klantvriendelijk was aangaande de Veronica Top 40. Bij de platenafdeling van Vroom en Dreesmann lag de lijst jarenlang niet, ze hadden daar hun eigen blaadje in de Discobar liggen. ‘Discofoon’ was tevens de naam van het eigen platenlabel waarop diverse LP’s van Johnny Hoes, via Koninklijke Militaire Kapel tot Donovan werden uitgebracht, maar ook platenborstels, platenstandaards, geluidsbanden en coversingles van onbekende artiesten met bekende hits, maar de enige echte hitlijst, de Veronica Top 40, lag er niet.
Binnen de burelen van Radio Veronica, aan de Utrechtsestraatweg in Hilversum, werd in de zomer van 1971 gebrainstormd over de toekomst van het wekelijkse exemplaar van de Veronica Top 40. Wat niet eerder naar buitenkwam is dat er serieus werd nagedacht om het gedrukte exemplaar van de Veronica Top 40 op te heffen en deze te vervangen door een tijdschrift. Het blijkt uit een conceptbrief, die op 26 augustus 1971 werd geschreven door Rob Out, gericht aan de detailleveranciers, ofwel de aangesloten platenwinkels die de lijst wekelijks op de toonbank hadden liggen.
Het, niet ondertekende, document is boven water gekomen met dank aan Robert Briel die langdurig hoofdredacteur van het Veronicablad is geweest en een deel van zijn archief ter beschikking heeft gesteld ter openbaring. Het bleek dat dezelfde platenhandelaren, door Out detailhandelaren genoemd, ook waren ingezet tot het verspreiden van de adhesiekaartenactie ‘Veronica blijft als U dat wil’, want hij schreef: ‘Zonder uw onmisbare hulp was deze actie beslist minder geslaagd. De directie en medewerkers van Radio Veronica zijn u daar zeer erkentelijk voor en hopen dit nog eens persoonlijk te kunnen bevestigen.’
Vervolgens ging hij meteen over tot het nieuwe product, dat in de markt diende te worden gezet: ‘Juist door deze spontane medewerking van de detailhandel zijn wij blij u het exclusieve verkooprecht van het Veronicablad te kunnen aanbieden.’. Out maakte tevens in de brief bekend dat het eerste exemplaar een maand later zou verschijnen: ‘Het Veronicablad dat met ingang van zaterdag 25 september aanstaande de plaats van het gedrukte exemplaar van de Veronica Top 40, zoals deze nu is, gaat innemen.’ Tevens meldde Out dat de kiosken en tijdschrifthandelaren zouden worden uitgesloten van verkoop en het blad alleen in de losse verkoop zou komen via de platendetaillisten.
Veronica beloofde een blad van 52 pagina’s, de full colour omslag meegeteld, gevuld met interessant popnieuws, algemene artikelen, Amerikaanse en Engelse hitparade, Veronica nieuws en – programmering, de platenreleases van de week waarin het blad verschijnt, de Veronica tipparade en op de achterkant de Veronica Top 40. Men was er van overtuigd dat het – mede gezien de inhoud – een succes ging worden: ‘een muziekblad, dat wordt samengesteld door een team van deskundige journalisten, een platenblad, Een blad dat als echt vakblad voor koper, handel en industrie zal gaan werken.’
Ook werd er ingegaan op de verkoopprijs, 45 cent per exemplaar, een bedrag dat voor iedereen bereikbaar zou zijn. Detaillisten hadden een winstpercentage van 10 cent, want ze mochten ze inkopen voor 35 cent. Niet verkochte exemplaren, aldus Out, mochten deels worden teruggestuurd: ‘U hebt een onbeperkt recht van retour. Wij verzoeken U daarvoor de cover van de onverkochte exemplaren steeds aan het begin van een nieuwe maand naar ons redactieadres te sturen: Veronica 192, Haarlemmer Houttuinen 35, Amsterdam. U ontvangt dan voor de verkochte exemplaren een factuur.’ Tegelijkertijd werd aan de detaillisten meegedeeld dat, indien ze het blad niet in de verkoop zouden nemen, er de mogelijkheid was een kwartaalabonnement te nemen voor een bedrag van f 4,95.   In de 2 pagina’s tellende brief werd vervolgens een opsomming gegeven van de voordelen van het blad ten opzichte van het gedrukte exemplaar van het tot aan dat moment verschijnende gedrukte exemplaar van de Veronica Top 40.     Een kwartaal abonnement op de Top 40 kost U f 32,50 per 100 exemplaren. Dit blad kost U niets! Integendeel, er zit een brutowinst in van 10 cent per blad. De grote vraag naar de top 40 van zeer jonge, niet platen kopend publiek, bent u kwijt. De prijs werkt hier selecterend. Doordat het Veronicablad is afgestemd op de muziek- en platenliefhebber, verstevigt dit de binding met de klant. Een wekelijkse centrale releaselijst voor handel en koper. De Nederlandse -, Amerikaanse – en Engelse hitlijst, aangevuld met de tipparade in één blad. Kortom een uitgebreide informatiebron over alles wat met muziek en platen te maken heeft.   De detaillisten werden op de hoogte gesteld dat ze in de eerste week van september elk 50 exemplaren gratis zouden krijgen van het zogenaamde ‘0’ nummer, dat weg kon worden gegeven aan eventuele toekomstige kopers. Zeg maar een soort van warmmaker. Tevens werd er gemeld dat op donderdag 23 september 1971 het eerste officiële nummer bij de aangesloten platenwinkels zou worden afgeleverd. Terugkomend op de plannen dat het gedrukte exemplaar van de Veronica Top 40 dreigde te verdwijnen, schreef Out in zijn brief: ‘Omdat dit blad de plaats van het nu verschijnende gedrukte exemplaar van de Top 40 gaat innemen, ontvangt u het door u verlangde aantal Veronicabladen eveneens op de donderdagochtend.’ Ditzelfde gebeurde ook altijd met het gedrukte exemplaar van de Top 40. Wel voegde Out er aan toe dat er wel een gedrukte poster van de Top 40 bleef verschijnen, die gebruikt kon worden als raamposter. Hij beloofde dat deze poster gratis ter beschikking zou worden gesteld aan de aangesloten platenhandelaren.
Ook werd duidelijk waarom men kon opteren voor de lage prijs van 45 cent. ‘Doordat wij, om de prijs zo laag mogelijk te houden, de tijdschriftengrossiers hebben moeten uitschakelen, bent u als distributieapparaat onmisbaar. Het is, dachten wij, ook in uw belang dat dit blad goed verspreid zal worden. Nederland heeft een echt platenblad nodig en een platenblad is dit ‘Veronica 192’ zeker.’
Uit mijn archief heb ik vervolgens het eerste exemplaar van ‘Veronica’ opgedoken, waarbij het allereerst opvalt dat het als verschijningsdatum 30 september 1971 heeft, een week later dan was gepland. Niet duidelijk is de reden van het later verschijnen van het Veronicablad. Ook werd de lezer in onzekerheid gebracht betreffende de naamgeving. Op de voorkant prijkte: ‘Veronica’ als naam, terwijl op de inhoudspagina ‘Veronica 192’ als naam werd gevoerd. De voorkant had trouwens een prachtige kleurenfoto van de Norderney, het zendschip dat op dat moment door Radio Veronica werd gebruikt. Een foto die niet veel later in grootposter formaat vele (slaap)kamer muren in Nederland zou gaan vullen.
Het blad bevatte in de begindagen een rubriek ‘Hallo Veronica’, waarin ingezonden brieven van lezers en/of luisteraars van Veronica; al dan niet anoniem geplaatst. De meest opmerkelijke in de eerste aflevering was wel die afkomstig was van Renske van de Blankevoort uit Papendrecht. Zij had het zogenaamde ‘0’ nummer ook gelezen en bleek zwaar teleurgesteld te zijn: ‘Het spijt me U te moeten berichten dat ik Uw blad liever niet meer wil ontvangen. Hij is me namelijk zwaar tegengevallen. Ik had toch iets beters verwacht van Veronica. Ik luister graag naar Veronica, maar dit is me heel erg zwaar tegengevallen. Maar ik wens U verder succes met uw blad’.
Verder was er de vaste rubriek ‘vanuit het ruim’, waarin Rob Out wekelijks de lezers ‘toesprak’ en uiteraard ze opriep een abonnement te nemen op ‘192, het weekblad van Radio Veronica’. Er was daarvoor een speciale bon ingevoegd die men kon opsturen. Ook adviseerde Out de lezers zich gewoon aan te melden via het gebruik van een briefkaart om op die manier het blad compleet te houden. Het laatste is dan ook het geval met het exemplaar dat in mijn archief zit.
Omdat het doel een platenblad te zijn, werd dit ondermeer ondersteund via een interview met John Entwistle- bassist van The Who. Dit naar aanleiding van zijn solo-lp ‘Smash your head against the wall’. Verder was er, verspreid over drie pagina’s, de programmering voor de daarop volgende week van Radio Veronica, een poster van een deel van het Veronica personeel, onder het kopje ‘Veronica’s hoop in bange dagen’. Het ging hier om de medewerkers die twee maanden eerder zich hadden ingezet bij de productie van de single, die werd uitgebracht ter ondersteuning van de actie ‘Veronica blijft als u dat wilt’, een plaat die spoedig in de hitlijsten verscheen. Het nummer ‘Veronica’ was een bewerking van het lied ‘Monica’ van de Duitse zanger Ulli Martin, terwijl er ook al een Nederlandse cover op de markt was van Hans Dieckman, die was geproduceerd door Peter Koelewijn. Met ‘Wat moet u doen, het is voor Veronica’ werd aardig wat geld opgebracht, dat beschikbaar werd gesteld aan een Blindeninstituut in Den Bosch.
Ook werden er kijktips gegeven uit het aanbod aan Nederlandse televisieprogramma’s, die er nog niet zoveel waren in die tijd. Ook een overzicht van de Veronica drive in show stond erin afgedrukt terwijl Will Luikinga een wekelijkse rubriek kreeg onder de noemer ‘Will wil wel’. Vast was ook de rubriek ‘Veronica Popjoernaal’, in eerste instantie geschreven door Daniël Klijzing. Hitlijsten waren er via de ‘American Singles Chart’ van Record World en de Top 40 en Tipparade van Veronica, in de midden-katern afgedrukt. Ook was er ruimte voor drie lijsten met de best verkochte 20 LP’s, respectievelijk van Veronica, Engeland en Amerika, terwijl de Engelse Top 30 voorafging aan de lange lijst met nieuwe releases van de diverse platenmaatschappijen als Ariola, Bovema, CBS, CNR, Dureco, Phonogram, Polydor en Inelco. Maatschappijen waarvan velen al lang niet meer bestaan.
Verder was er ruimte voor sport, Pierre Kartner – die destijds opkomend en succesvol was en voor Tineke, die verhaalde over haar werk bij Veronica: ‘Ik zit gewoon lekker mijn hobby uit te leven’, terwijl het blad Veronica (nummer 1) afsloot met een interview met de zanger Leon de Graaff. Trouwens de achterkant van het blad was dus niet gevuld met een afdruk van de Veronica Top 40, maar door een kleurenadvertentie van ‘Ultrabite’, een tandpastamerk dat ook via Radio Veronica werd geadverteerd.
En aldus kan worden geconcludeerd dat de Veronica Top 40 niet op de achterkant werd afgedrukt, maar in de midden-katern; dat het gedrukte exemplaar van de Veronica Top 40 in 1971 zeker niet uit de platenwinkels werd verdreven en gewoon gratis ter beschikking van de liefhebbers beschikbaar bleef. Niemand van de lezers had in eerste instantie het vermoeden dat het ‘Veronicablad’ later meer dan 1 miljoen lezers zou krijgen als gevolg van goede redactie en marketing, maar ook door de liefde van vele Nederlanders voor Radio Veronica.
Hans Knot, 1 augustus 2014

de redactie

de redactie

Hans Knot: Niet geheel anoniem

Heerlijk is de diverse reacties te lezen over de eerste editie van ons nieuwe tijdschrift ‘Freewave Nostalgie’. Vele leeftijdsgenoten schreven zich helemaal thuis te voelen in het door ons gebrachte en zich verdiepten in de verhalen, alsof ze zich in hun eigen jeugd terug vonden. Het zal natuurlijk niet altijd in de jaren zestig zijn, dat we terugblikken, maar voor hen die de 65 in leeftijd voorbij zijn, hebben we dit keer een verhaal dat een aantal mensen in het spotlight zet, een halve eeuw nadat ze met regelmaat op de televisie waren te zien.
Vergeet niet dat we het over 1965 hebben en er dus geen bladen waren als ‘Privé’, ‘Story’, ‘Weekend’ of meer, waarin we wekelijks werden bijgepraat over de zowel positieve als negatieve ontwikkelingen betreffende de belangrijke personen uit de radio- televisie- en amusementswereld. Wel was er een tijdschrift dat zich richtte op de ontwikkeling van de gebeurtenissen op radio en televisie, onder de titel ‘Goede Ontvangst’. In Nederland beschikten we op dat moment over slechts één televisienet, waarop een beperkt aantal uren per etmaal programma’s werden uitgestraald. Daaronder bevond zich ondermeer het NTS Journaal. De nieuwslezers gingen in die tijd vrijwel anoniem door het leven en hun naam werd vrijwel nooit in beeld gebracht, waardoor directe herkenning bij vele kijkers achterwege bleef.
In deze tijd is het hoogstens een fotograaf die vanuit een vliegtuigje de prachtig mooie villa van een bekende Nederlander voor publicatie fotografeert maar binnen komen in het huis van dezelfde Nederlander is bijna niet meer voor te stellen. Maar in 1965 werden gewoon vijf personen, onder de noemer ‘De vijf anonieme mannen van het NTS-Journaal’ thuis opgezocht. Laten we eens kijken of er nog personen bij zijn die zich vast hebben gegrift in ons geheugen.
Als eerste werd de toen 38-jarige Jan Gerritsen voorgesteld, de toenmalige ‘veteraan van het Journaal’, tenminste dat vond hij zelf daar hij al 5,5 jaar in dienst was van de NTS. Jan was afkomstig uit de Wereldomroep, waar hij in 1955 in dienst trad, en ten tijde van de publicatie nog vrijgezel was. Hij kleedde zich altijd vol smaak en zorg, hetgeen hij zichzelf verplicht stelde tegenover de kijkers. Betreffende de presentatie van het nieuws was hij van mening dat dit op een zodanige origineel mogelijk manier diende te worden gedaan.
Gerritsen ging, met een bepaalde regelmaat, met een stunt het scherm op. Zo verscheen hij op een bepaalde avond als presentator in beeld, gekleed in een vliegenierspak. Reden was dat hij iemand diende te interviewen, die met de luchtvaart te maken had. Hij was een gedreven persoon die ook tijdens zijn vrije dagen aanwezig kon zijn in de studio om een onderwerp voor latere uitzending voor te bereiden. Hoogtepunt vond ik persoonlijk zijn verslaggeving uit het verre Nieuw Guinea, waar hij in het najaar van 1962 twee maanden verbleef voor het maken van reportages, uiteraard in het tijdperk van arme vormen van communicatie.
In 1973 kreeg Gerritsen een inzinking en verdween twee jaar van het scherm, waarna hij bij de NOS terugkeerde als nieuwslezer. Op dat moment was er tevens het begin van het toenmalige experiment voor duo-presentatie. Een jaar later zou hij de overstap maken naar het programma ‘Van Gewest tot Gewest’. In 1995 overleed hij op 71-jarige leeftijd in Hilversum.
Ook Henk Teeuw was destijds 38 jaar en hij ging door het leven als de ‘altijd donker kijkende nieuwslezer. Hij werd geportretteerd in een huisje gelegen aan een ‘leuk laantje’ in Naarden: ‘Er staan alleen maar houten huisjes, die in diverse kleuren zijn geschilderd.’ In 1965 was hij twee jaar werkzaam voor het NTS Journaal. Zijn omroep loopbaan ging via de Wereldomroep en de VARA, waarbij hij in beide gevallen verslaggever was, naar de VPRO. Bij deze laatste omroep hield hij zich vooral bezig met het maken van radiodocumentaires, die destijds vooral klankbeelden werden genoemd, waarbij duidelijk dient te worden gesteld dat de VPRO om prachtige klankbeelden bekend stond.
Het gegeven dat hij bij de NTS veel werkte op onregelmatige tijden, vooral liggend tussen vier uur in de middag en elf uur in de avond, was voor het gezin van Teeuw niet altijd even prettig. Zijn vrouw meldde in het artikel het lang niet altijd even leuk te vinden dat Henk op voornoemde uren niet thuis was. Hij was destijds al vader van twee kinderen, die beiden hun vader wel degelijk nodig hadden. Dochter Maroeska was 13 jaar, terwijl zoon Hans Peter destijds 8 jaar was. Hij had al het nodige meegekregen want hij wist het nodige over de toen gebruikte camera’s te vertellen. Het gezin werd compleet met hond Sasja, die drie jaar eerder was komen aanlopen.
Op een bepaald moment, niet veel later, werd er binnen de NTS gedaan aan ideevorming om een aantal redelijk populaire programma’s samen te voegen in een totaal programma. De bundeling van programma's bestond uit NTS Sport, Panoramiek, Van Gewest tot Gewest, Signalering en Openbaar Kunstbezit. Voor, tussen en na de verschillende onderdelen kende het programma terugkerende rubrieken die per dag verschilden: wegeninformatie, agrarisch nieuws, een bespreking van de weekbladen, lucht- en ruimtevaart en een filmrubriek. Het programma ontstond door onvrede bij de NTS over de grote spreiding van actualiteitenprogramma's. Volgens de inmiddels tot eindredacteur benoemde Henk Teeuw wenste men met het programma met zijn zelf gemaakte stukjes zich vooral te richten op de rand-actualiteit en de echte nieuws en actualiteiten over te laten aan de daarvoor destijds bestemde programma's.
Het programma werd op verschillende dagen, op verschillende kanalen en verschillende tijden uitgezonden. Op maandagen tussen 19.00 uur en 19.30 uur was het te zien op Nederland 2. Op dinsdagen tussen 19.30 uur en 20.00 uur op Nederland 2. Woensdagen op Nederland 1 tussen 19.00 uur en 20.00 uur. Op donderdagen, vrijdagen en zaterdagen op Nederland 2, tussen 19.00 uur en 19.30 uur. Op de zondagen werd het programma niet uitgezonden. Tot slot enkele namen van personen, die betrokken waren bij de presentatie: Joop van Zijl, Henk Terlingen, Ageeth Scherphuis en Netty Rosenfeld. Samengesteld door medewerkers van verschillende omroepen.
Derde in de rij was Frits van Rhoon, die op moment van publicatie in 1965, 42 jaar was. Vier jaar daarvoor, afkomstig uit de dagbladpers, was hij in dienst getreden van de NTS. In 1939 begon hij zijn schrijvende carrière als journalist bij ‘Het Vaderland’, waarna hij vijf jaar lang op het eiland Curaçao bij het dagblad ‘Nieuws en Beursberichten’ werkte. Vervolgens trad hij in dienst van de Nederlandse service van de Canadese staatsomroep, waar hij negen jaar lang verbleef en daarnaast ondermeer correspondent voor de AVRO was. Nederland bleef echter trekken en hij kwam terug naar ons land om in dienst te treden van de NTS. Naast het Journaal kreeg hij al vrij snel een snoepreisje aangeboden toen hij, samen met NTS Journaal eindredacteur Roel Rensen, verslag mocht doen van de reis van Koningin Juliana en Prins Bernhard aan Iran en Thailand.
Opmerkelijk was dat de drie zoons van Frits van Rhoon bij de terugkeer van vader in Nederland – ze gingen wonen in Buitenveldert – geen woord Nederlands spraken. De oudste twee, Frits en Peter, waren op Curaçao geboren terwijl de toen 10-jarige Ronny Canadees van geboorte was. Eind 1965 trad hij uit dienst bij de NTS en wat er daarna met hem gebeurde is helaas niet te achterhalen.
Een meer aansprekende naam is die van Pim Reyntjes, destijds ook 42 jaar en vooral in beeld kwam hij lang en stevig gebouwd over. Pim woonde met zijn gezin in Hilversum. Hij was eind 1964 in dienst getreden als nieuwslezer en redacteur en vond de overstap naar de televisie een geweldige beslissing omdat hij weer van alles opnieuw diende te beleven en het geheel anders was dan bij de radio, waar hij voorheen werkte, namelijk bij de Wereldomroep. Reijntjes en zijn vrouw hadden in 1965 drie kinderen.
Maar over Pim Reijntjes is er veel meer te vertellen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief in het verzet en was het de bedoeling dat hij in 1943 als Engelandvaarder, vanuit de haven van IJmuiden de overstap zou gaan maken naar Engeland. Er was echter verraad in het spel en dus werd hij opgepakt. Vervolgens zag hij de gevangenissen van Scheveningen, Amersfoort, kamp Vught en de kampen Natweiler en Dachau van binnen. Na de bevrijding begon hij zijn radioloopbaan bij Radio Herrijzend Nederland en werd hij op een bepaald moment gedetacheerd als omroeper bij Radio Batavia. Twee jaar later keerde hij terug in ons land en ging hij aan de slag bij Radio Nederland Wereldomroep.
Bij het NTS Journaal bleef hij tot eind 1968 in beeld om vervolgens redacteur-verslaggever te worden bij de Dienst Televisie Programma’s NTS. In 1983 ging Reijntjes op pensioen. In 1993 was hij een van de initiatiefnemers voor het oprichten van een Dachau monument en was hij tevens de eerste voorzitter van een Stichting Nationaal Dachau Monument, dat uiteindelijk geplaatst werd bij de Bosbaan in Amsterdam.
Tenslotte, de meest bekende van het vijftal. In 1965 was hij 29 jaar jong en de benjamin van het gezelschap. Na het doorlopen van het gymnasium en het volgen van de universitaire opleiding rechten doctoraal 1 ging hij als werkstudent aan de slag. Als journalist begon hij zijn loopbaan bij de Wereldomroep Nederland en ging daarna als freelancer werken bij de omroepen in Hilversum. Zo werkte hij als presentator voor het actualiteitenprogramma ‘Memo’ van de NCRV televisie. In 1962 stapte hij over naar het NTS Journaal.
In eerste instantie werd hij ingezet als verslaggever van modeshows en tentoonstellingen om later presentator van het Journaal te worden. Hij was klein van stuk en vaak werd gesuggereerd dat hij op een veelvoud van kussens zat om goed in beeld te komen. Weer andere landgenoten vonden hem een zwartkijker, omdat er vrijwel nooit een glimlach af kon van het gezicht van Fred Emmer. In werkelijkheid was het een aardige en vriendelijke man. In 1970 deed hij een stap terug om als hoofd public relations in dienst te treden van een Amerikaans reclamebureau. Binnen een jaar verscheen hij echter weer op de televisie, andermaal in het Journaal, toen onder de naam NOS Journaal.
Jarenlang zou hij vervolgens het gezicht van het Journaal zijn totdat hij in 1985 overstapte naar een nieuw project, Europa TV – dat programma’s zou gaan maken voor meerdere Europese landen. In een interview met Maarten Slagboom zei Emmer hierover het volgende: “Ik ben op de vermeende sneltrein van Europa-TV gesprongen. Werd door de NOS gedetacheerd. Het leek mij de juiste vernieuwing in mijn werkend leven, het sprak mij heel erg aan. We zouden een Europees journaal gaan maken: Engelsen, Duitsers, Portugezen en Nederlanders. Als de beelden werden uitgezonden, werd vanuit verschillende cabines in de diverse talen commentaar toegevoegd. Iedere nationaliteit schreef zijn eigen tekst. Ik ‘leidde’ de Nederlandse afdeling. Het nieuwsprogramma is nooit van de grond gekomen. Dat betreurde ik zeer; ik had me er me veel enthousiasme in willen storten. Ik heb me een jaar lang bezig gehouden met documentaires, die op dezelfde manier tot stand kwamen.”
Echter mislukte dit project en vervolgens probeerde de hoofdredacteur van het NOS Journaal Fred Emmer, na terugkomst, hem het vaste gezicht van het destijds nieuwe ‘7 uur Journaal’ te laten zijn, wat uiteindelijk niet lukte. Emmer bleef tot medio 1987 bij de NOS in dienst om vervolgens free lance te gaan werken voor RTL5 en de VPRO. Bij deze laatste omroep vertrok hij twee jaar later, teleurgesteld over het amateurisme van de jonge makers van het programma ‘Waskracht’, waarin Emmer participeerde.
Na zijn omroeptijd heeft Fred Emmer zich ondermeer bezig gehouden met het schrijven van een aantal columns in Playboy als wel het publiceren van erotisch getinte boeken. De naam ‘Emmer’ is trouwens vast verbonden aan het Journaal daar de muziektrailers zijn gecomponeerd door zijn zoon Stephen.
Hans Knot, 6 juli 2014.

de redactie

de redactie

Hans Knot: De eerste herinnering

Voor een ieder is het een eigen ‘eerste herinnering’, als we het hebben over het kijken naar de televisie. Voor de 60 plussers is het vooral het kijken naar zwart wit televisie in de beginjaren, waarbij in Nederland alleen één televisienet actief was. Wel was er de mogelijkheid in bepaalde delen van Nederland nog een graantje mee te pikken van buitenlandse televisiestations, mits er enkele kunstgrepen werden uitgevoerd. Woonde je bijvoorbeeld in 1959 in Groningen dan was het mogelijk een signaal op te pikken van de NDR, via de steunzender in Aurich.
Daarbij moest wel de antenne worden gedraaid. Bij Huize Knot ging dit als volgt: één van de ouders bevond zich bij het televisietoestel, op de trap naar de eerste verdieping stond één van de kinderen en in een tussenslaapkamer bevond zich een valluik, waarvan de glasplaten gemakkelijk los konden worden gemaakt. Daardoor was de derde persoon verantwoordelijk, vervolgens de antenne te draaien als men Aurich wenste te ontvangen. Via schreeuwende commando’s: “beetje meer rechts, nee iets meer, ja zo is het goed”, kon vervolgens weer gekeken worden naar de NDR. Wenste men de volgende dag weer een programma van Nederland te bekijken dan begon de antenne-instelling opnieuw.
Als het gaat om mijn eigen directe herinnering aan een televisieserie, waar wekelijks vol spanning naar werd gekeken in Huize Knot, was dat naar de Duitse serie ‘So weit die Füsse tragen’. Na de eerste aflevering werd wekelijks het aantal kijkers uitgebreid door dat buurtbewoners, vrienden en meer mee gingen kijken naar de verfilming van de uit 1955 stammende roman, geschreven door Josef Martin Bauer. Het verhaalt de lange en spannende tocht die een Duitse krijgsgevangene na de Tweede Wereldoorlog maakte, nadat hij in 1949 uit een Oost Siberisch strafkamp ontsnapte. Een zeer avontuurlijke tocht, richting huis, zou er volgen. Alles neergezet in een televisieserie die eind 1959, begin 1960 zes weken lang, elke aflevering 60 minuten durende, werd uitgezonden via de Duitse televisie en nog steeds wordt gezien als de eerste echt aandacht trekkende televisieserie.
Het boek en de serie beschreven het verhaal van de Duitse soldaat Clemens Forell die in het jaar 1945 tijdens een massaproces in Lubjanka tot 25 jaar dwangarbeid werd veroordeeld. Op dat moment was hij één van de 3,5 miljoen Duitse krijgsgevangenen in de voormalige Sovjet Unie. Hij en ontelbare anderen werden op transport gezet richting Tschita, in Oost Siberië, en na een lange tocht arriveerde men in het strafkamp. Dat wil zeggen dat er in 1950 van de ongeveer 3200 personen op het betreffende transport er ongeveer 1950 levend zijn aangekomen. Velen zijn door honger, dorst en vrieskou overleden.
Na aankomst werd de tocht met behulp van door honden getrokken sleeën en per voet voortgezet richting Kap Deschnjow aan de Beringzee, gelegen in het Noord Oosten van de toenmalige Sovjet Unie. Ook na die barre tocht bleken de nodige slachtoffers gevallen en arriveerden er slechts 1236 personen. Ze werden te werk gesteld in de diepe gangen van een loodmijn. In 1949 verbleef Clemens Forell wegens een zware ziekte in de ziekenbarak en ontstonden bij hem de vluchtgedachten. Met behulp van een arts die zelf eerst van plan was te vluchten, ontsnapte hij in oktober van dat jaar het strafkamp. Het werd vervolgens een drie jaar durende barre tocht via vele landen en gevaarlijke avonturen waarna de Forell in december 1952 uiteindelijk zowel geestelijk als lichamelijk gebroken in zijn vaderland terugkeerde.
De serie pakte ons als jongeren, tien jaar was ik in die tijd, enorm. In eerste instantie werd het door het gezin bekeken, maar daarna voegden zich steeds meer vrienden en buren tot het kijkerspubliek in de achterkamer van Huize Knot. Met de directe herinnering aan deze serie op de Duitse televisie is dan ook duidelijk te plaatsen dat bij ons in huis in 1959 al een televisie stond en wel van het merk Erres. Het is voor mij dan ook zeker dat dit tevens het jaar van aanschaf is want het was tegen het einde van dat jaar, 19 december, dat in Smilde een steunzender werd geopend, waardoor televisiekijken in Groningen mogelijk werd als het ging om de programma’s van de Nederlandse omroepen.
Trouwens de serie ‘So weit die Füsse tragen’ werd tegen het einde van de jaren tachtig, dus drie decennia later, herhaald op de NDR televisie. De opnametechniek was al die jaren tussenin enorm in de ontwikkeling gekomen, maar de gedachte dat deze aangrijpende serie werd herhaald deed me besluiten deze weer helemaal te gaan bekijken. Immers was het een aangrijpende gebeurtenis uit mijn jeugd. Slecht 20 minuten heeft de herhaling aangestaan. De zwart/wit film kwam totaal anders over dan in mijn beleving was blijven hangen. Het merendeel van de opnamen, en dat zag je destijds in de beginjaren van de televisie niet, was opgenomen op toneel en/of zich herhalende locaties. Als we kijken naar het aantal geregistreerde televisietoestellen, dat op 1 januari 1960 in Nederland was, dan komen we tot een aantal van 584.766 stuks. In die tijd, en dat zou jaren duren, diende de gebruiker naar het postkantoor te gaan om zijn omroepbijdrage, via de aankoop van zegels te plakken op zijn speciale kaart voor omroepbijdrage, ieder kwartaal weer. Zondermeer kan worden aangenomen dat het aantal televisietoestellen op die bewuste eerste januari hoger was, gezien er een groot aantal zwartkijkers was.
Over het betalen van en de geschiedenis van de omroepbijdrage publiceerde ik jaren geleden het volgende artikel: http://www.mediacommunicatie.nl/radio/omroepbijdrage.htm Maar voor andere leeftijdsgenoten, mensen rond de 65 jaar, zal lang niet altijd dezelfde televisieserie het aanknooppunt zijn als directe eerste herinnering. Het lag er gewoon aan wanneer de ouders destijds besloten een toestel aan te schaffen, dit mede vanwege de hoge aanschafprijs. In ieder geval werd in 1960 het aantal uitzenduren per week uitgebreid tot 18 uur per week! Diegene die op 1 januari van dat jaar televisie keek heeft in ieder geval de eerste aflevering gezien van het AVRO- programma ‘In de hoofdrol’ van Mies Bouwman. In die eerste aflevering had ze als gast de acteur Ko van Dijk.
De kleuters en kinderen werden vanaf maart dat jaar, via de KRO en tante Hanny, verwend met een nieuwe televisieserie: ‘De avonturen van Liang Wang Tsjang Tsjeng, waarbij de hoofdrol was weggelegd voor Gerard Heystee. Maar ook de AVRO kwam met een serie die direct herinneringen bij me oproept: ‘Varen is fijner dan je denkt’. Bij de AVRO werd in het najaar een speciaal muziekprogramma voor de jeugd geprogrammeerd. ‘Rooster’, uiteraard in zwart wit met als presentatrice Lonneke Hoogland. Het was een programma van samensteller Gerrit den Braber, die ook een belangrijke rol in de Nederlandse amusementswereld zou gaan spelen. Onze ouders zullen zondermeer geantwoord hebben dat programma’s als ‘Een kwartje per seconde’, ‘het Gouden Schot’ en ‘Jos van der Valk presenteert’ direct terug in het geheugen kwamen.
Recent hoorde ik van een leeftijdsgenoot, ja zelfs een jaartje ouder dan mij, dat zijn directe eerste herinnering ‘De Sjaal’ was. Nederland had ondertussen al lang meer dan 1 miljoen geregistreerde televisiebezitters en we waren aangeland in het jaar 1962.
Op 1 januari van dat jaar werd voor de allereerste keer de traditionele Eurovisie uitzending vanuit Wenen verzorgd. Het betrof het ‘Nieuwjaarsconcert’, dat nog steeds jaarlijks te zien en te horen is. Willy Boskovsky dirigeerde destijds het Wiener Phiharmoniker. Dat jaar, in mei, ging via de VARA de eerste aflevering van ‘De Perry Mason Show’ op de antenne. De NCRV kwam met een import programma, The Donna Reeves Show, dat tot in 1965 werd geprogrammeerd. Maar de grote verrassing was wel een nieuwe tekenfilmserie die in 1962 van start ging met als titel: ‘Flinstone Flyer’. De serie, spoedig daarna aangekondigd als ‘The Flinstones’ bracht een satirisch beeld van de toenmalige moderne samenleving, geplaatst in het stenen tijdperk. Een serie die trouwens zowel voor jongeren als volwassenen was bedoeld. Terugkijkend werden de eerste twee afleveringen door de NTS uitgezonden, waarna de KRO de uitzendrechten over nam. Tot in 2014 wordt de serie overal ter wereld herhaald.
En inderdaad, nadat er al vele boeken van de Britse auteur Francis Durbridge door de hoorspelkern waren bewerkt en via de radio waren gebracht – denk maar eens aan Paul Temple, kwam er een televisieserie als bewerking van een ander boek van de Britse auteur. ‘De Sjaal’ was een zesdelig televisiespel dat door de West Deutsche Rundfunk in 1961 werd geproduceerd en in januari 1962 voor het eerst werd geprogrammeerd. Twee andere boeken van Durbridge waren eerder door de WDR tot televisieserie bewerkt: ‘Der Andere’ en ‘Es ist so weit’ gingen ‘Das Halstuch’ vooraf.
Onder regie van Hans Quint en draaiboek van Marianne de Barde werd de serie opgenomen met een totale uitzendduur van 217 minuten. Nog hetzelfde jaar werd de serie op de Nederlandse televisie gebracht. De muziek bij de serie werd gecomponeerd door Hans Jönsson, terwijl de productie in handen was van Wilhelm Semmelroth. Voor de rol van geestelijke Nigel Matthews kwam Horst Tappert in aanmerking, voor vele lezers bekend als de latere Derrick.
Voor die tijd was het vooruitstrevend te noemen dat de serie met liefst drie camera’s werd opgenomen. De opnamen werden trouwens vastgelegd op Ampex tape, een magneetband waarbij montage destijds nog niet mogelijk was. Gevolg was dat alle opnamen feilloos dienden te worden opgenomen, waarbij vaak geheel opnieuw gestart diende te worden. In Engeland en in Duitsland werden destijds locatie opnamen voor de serie ‘De Sjaal’ gemaakt. Voor diegene die zeggen dat de eerste herinnering aan de televisie bij deze serie ligt, kan men rustig stellen dat het televisietoestel dus in 1962 haar entree heeft gemaakt binnen het huisgezin.
Hans Knot, 12 juni 2014.
Bronnen: www.soundcapes.info Online Journal for Media and Music Culture, University Groningen Knot, Hans ‘Omroepbijdrage al lang verleden tijd’. Freewave Media Magazine, Stichting Media Communicatie, Amstelveen, 2013. Veer, Bert van der: ‘Is er nog iets leuks vanavond’, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1991.

de redactie

de redactie

Hans Knot: Vroeger was het niet veel anders

Wat komt er ieder jaar weer wat over ons heen nadat de resultaten bekend zijn van de finale van het Eurovisie Song Festival. Het lijkt erop dat er niet meer zinnig gestemd kan worden op wat als liedjes is gehoord, maar vooral gekeken wordt naar de uitdossing van de zangers, zangeressen of groepen. Het zal me een worst wezen of de Oostenrijker, die zo graag als Oostenrijkse zich tentoonstelt, dit jaar echte tranen had of ze veinsde. Wat me wel interesseert is wat deze baardvrouw als positie had gekregen als die gekozen uitdossing en baardgroei niet was vertoond. Maar dergelijke groots opgezette programma’s, vol zang en show, hebben altijd al de nodige – vaak negatieve – publiciteit getrokken.
In de tijd dat alles op de televisie nog zwart-wit was en we nog op lange na niet de keuze aan programma’s hadden dan datgene waar we nu mee overspoeld worden, was er jaarlijks een uitzending van het Grand Gala Du Disque te zien en te horen via televisie en radio. Een programma dat organisatorisch door Willem Duys werd begeleid en waarbij hij tal van internationale en nationale sterren op liet treden. Het werd op 12 oktober vanuit het Kurhaus in Scheveningen uitgezonden, waarbij de presentatie in handen was van Karin Kraaykamp en Willem Duys. Voor de toespraken was Godfried Bomans ingehuurd.
Eén van de optredende artiesten was de cabaretier Wim Sonneveld die als ‘Zingende Frater Venantius uit Schin op Scheul’ op de lachspieren van vele aanwezigen in de zaal, als wel aan de buis, werkte. Maar toch ook weer niet allemaal want de maandag erop werd er door journalisten in sommige kranten schande gesproken van deze vorm van Godsschennis. Ook kregen de diverse omroepen de volgende dagen diverse boze telefoontjes en zelfs opzeggingen te verwerken. In doorsnee waren de mensen, die telefoneerden, van mening dat Sonneveld met zijn persiflage de grenzen van eerbied voor een andere mening had overschreden.
Laat op de zaterdagavond waren er al telefoontjes binnengekomen over de verandering van de programmering. In de pauze van het festival was er een aflevering gepland, waarbij inspecteur Le Clerk een van zijn avonturen zou gaan beleven. De AVRO besloot echter dit programma te laten vervallen voor een minder ontspannend onderwerp, een verhandeling over de toen recente loononderhandelingen.
Maar er waren ook positieve reacties terug te vinden in de geschreven pers, zoals op maandag 14 oktober in de Telegraaf, waarin men wees op de uitstekende relatie tussen de grammofoonmaatschappijen en de televisie, waardoor andermaal het prachtige festival tot een succes was geworden. De journalist van het Parool die het Grand Gala Du Disque had bijgewoond, toonde kritische noten: ‘Hoe knap ook een aantal onderdelen van deze avond (en nacht) was, als het geheel was het een bizarre en verladen vertoning. Willem Duys bewees toch weer teveel artistieke hooi op zijn commerciële vork te hebben genomen en dat een ratjetoe van zoveel uiteenlopende ingrediënten toch wat zwaar op de maag valt.’
Ondermeer was er goed aanbod aan buitenlandse artiesten aanwezig. Francoise Hardy, Petula Clark, de Zweedse Spotnicks, Trini Lopez, Rocco Granata en Sarah Vaughn, om er een paar te noemen. Opmerkelijk goed was, tussen alle internationale artiesten, het optreden van Corry Brokken. Maar de kritische noot in het Parool richtte zich vooral op de uit Duitsland afkomstige, met een Amerikaans paspoort reizende, Marlène Dietrich, die aangekondigd was als de ster van de avond, maar toch tegen viel: ‘Haar optreden was voor het uiterlijk wel indrukwekkend, maar bij nader inzien was het toch wel voor het grootse deel legende en routine. Zowel haar optreden als haar programma stelde toch teleur en het was ook duidelijk dat de grillen van de prima donna haar niet vreemd zijn.’
Marlène Dietrich had allerlei eisen gesteld aan haar optreden in het Kurhaus; zo eiste ze op de dag van de repetities dat er niemand in de zaal mocht zijn als zij stond te repeteren. Bovendien is zij na afloop woedend op Willem Duys geweest, omdat door zijn toedoen Sarah Vaughn plotseling de show had gestolen. Die stond officieel niet als optredende gast gepland en werd door Duys als verrassing uit de zaal gehaald om een aantal liedjes te zingen. Bovendien had Sarah Vaughn een liedje gezongen dat Marlène Dietrich ook van plan was te gaan zingen: ‘I can't give you anything but love’.
Maar er gebeurde meer toen zij een Edison voor haar totale repertoire kreeg uitgereikt en, vergezeld van een toespraak, het beeldje werd aangeboden door Godfried Bomans, waarvan de geschreven pers en zeker ook een deel van de kijkers, constateerden dat deze niet geheel fris aan de taak was begonnen en zeker al te veel had gedronken. Een eigen conclusie kan worden getrokken als je de toespraak van Godfried Bomans, die bewaard is gebleven, zelf bekijkt:  
Het Parool vroeg zich de volgende maandag af of het Nederlandse kijkerspubliek wel had gezien hoe het gezicht van Dietrich verstrakte toen de toespraak van Bomans begon: ‘En ze dacht ‘wat gaat er gebeuren?’ De zaal zat in grote spanning. Maar alles ging goed. Marlène kuste Bomans twee keer. “Zij was dankbaar”, verklaarde Bomans later.’
Vooral de opmerking dat Marlène Dietrich hoog kwetsbaar was, gelijk aan elke vrouw, viel verkeerd bij een groot deel van schrijvend Nederland. Bomans zelf stelde dat Dietrich totaal open stond voor de speech en zij vooral mensen, die tact en respect kunnen opbrengen, graag naast zich heeft. Ook stelde hij dat Dietrich het zeer had geapprecieerd dat hij haar als vrouw belicht had in zijn speech. Aan andere artiesten meldde, volgens het Parool, Marlène dat de toespraak ‘not funny at all’ had gevonden, waarna ze verdween naar haar kleedkamer.
Hans Knot, 17 mei 2014.

de redactie

de redactie

Hans Knot: ‘Stereo’ of ‘nep stereo’

Het is meer dan veertig jaar geleden dat via allerlei technische vindingen er binnen de omroepen in Nederland gebruik werd gemaakt van ‘gemaakte stereo’ op de radio. Het was in de tijd dat het al 15 jaar geleden was dat de eerste experimenten met stereo-uitzendingen, binnen, destijds nog de Nederlandse Radio Unie, werden uitgevoerd. Er kwam in 1973 een discussie op gang, die in ondermeer ‘TDR Spectrum’, een mededelingenblad van de technische dienst van de NOS radio, werd gevoerd.
In eerste instantie werd in een openingsartikel door Ir. F.S. de Wolf het nut van stereo-uitzendingen, opgebouwd uit mono-materiaal in twijfel getrokken. Hij stelde uitdrukkelijk welke argumenten collega programmamakers destijds verleidden tot quasi-stereofonische ‘Spielerei’. In zijn betoog noemde De Wolf specifiek een NCRV programma ‘Hier en Nu’, dat naast actualiteiten ook muziek aan de luisteraar leverde. Zijn opmerkingen betreffende de quasi-stereofonie in dit programma, leverde hem enige tijd later een reactie op van Drs. H. Glimmerveen, destijds plaatsvervangend hoofd afdeling actualiteiten van de NCRV.
Laatstgenoemde begon zijn reactie met het de mededeling dat het programma ‘Hier en Nu’ echt niet uitsluitend uit mono materiaal bestond: ‘Niet alleen zijn de muziekfragmenten in de uitzendingen tussen 17.32 en 18.00 uur stereofonisch, ook een gering deel van de reportages.’ Uiteraard lag er de wens in 1973 bij de NCRV leiding om meer volledig stereofonische items en programma’s uit te zenden. De studio was er voor aangeleverd maar op dat moment was er het probleem dat er te weinig stereo-opname apparatuur voor handen was om mee op pad te gaan. Volgens het Glimmerveen kwam daarbij ook nog eens het probleem dat, wanneer voor reportages wel stereo-opnamemateriaal beschikbaar was, deze reportages vaak op korte termijn geregeld werden en het niet mogelijk was om de zogenaamde PTT-stereolijnen beschikbaar te krijgen.
Totaal anders als in deze tijd was men bij de omroepen totaal afhankelijk van de PTT, die voor alle verbindingen en straalverbindingen zorgde in het pre-satelliettijdperk op het gebied van radio. Het was dan ook zeker wenselijk dat na de grote investeringen, die er door de technische dienst radio van de NOS waren gedaan, bij de uitrusting van stereo-studio’s er door deze dienst naar mogelijkheden diende te worden gezocht de mogelijkheden voor stereo-opnamen op reportagegebied uit te breiden.
Glimmerveen ging ook in op het gebruik van ‘stereo’: ’Natuurlijk is echte stereofonie het fraaiste. Maar waarom zal ieder ander gebruik van de mogelijkheid om het materiaal over twee kanalen te verdelen, te veroordelen zijn? Bij ‘Hier en Nu’ wordt de mogelijkheid in hoofdzaak gebruikt om aan te geven dat het uitgezondene uit verschillende bronnen komt.’ Hierbij kreeg de centrale presentator van het actualiteitenprogramma een vaste plek in het geluidsbeeld, terwijl al het andere extern aangemaakte materiaal, voor zover het niet stereofonisch was, uit een andere hoek ofwel kanaal kwam. Hoe functioneel deze vorm van ‘stereofonie’ destijds was, bleek het beste bij de zogenaamde kruisgesprekken die ‘Hier en Nu’ redelijk vaak de ether instuurde.
Als we destijds thuis, op het werk of waar dan, ook via een stereo-ontvanger deze ‘kruisgesprekken’ beluisterden dan kwamen de twee stemmen uit verschillende richtingen, dan wel uit twee kanalen. Een in mono uitgezonden dialoog was daarom ook hoogst onnatuurlijk. Het gebruik van de twee kanalen gaf bij de radio-uitzending de mogelijkheid om stemmen op een natuurlijke wijze uiteen te halen, zelfs wanneer de ene gesprekspartner zich in Hilversum bevond, terwijl de andere persoon ergens in het land of buitenland verbleef. Bij uitzendingen in mono kwamen deze kruisgesprekken vooral in gehoor irritant over wanneer de ene spreker de andere in de rede viel, terwijl het in een stereo-situatie goed en natuurlijk kon over komen.
Maar niet alleen Glimmerveen reageerde in het juni nummer van TDR Spectrum, ook J.M. Rip, die allereerst dieper inging op de zogenaamde ‘Spielerie’ waarvan volgens hem ten onrechte de geluidstechnici van de NOS door anderen werden beticht: ‘Die stereobedoelingen zijn geheel voor rekening van de programmamakers, waar van sommigen helaas wat stereo betreft nog steeds ‘twee linker oren’ hebben. Zij zelf stellen vast of het programma in stereo zal worden uitgezonden, zonder zich nader af te vragen of het programmamateriaal daarvoor welk geschikt is. Men kan ook vrij gemakkelijk de vraag kunnen stellen of de luisteraar daarmee gediend was, immers daarvoor worden de stereo-uitzendingen gemaakt.’
Rip was ook van mening dat, wensten de technici met stereo te gaan werken, men zich eerst op de hoogte diende te stellen hoe het een en ander voor het specifieke programma kon worden gerealiseerd, om, indien het wel mogelijk was, daarna er artistiek verantwoord gebruik van de kunnen maken. Tevens was hij van mening, gezien de technische realisatie van stereo-uitzendingen op zich in die tijd veel haken en ogen had, dat voorlichting over het gebruik van stereo voor alle programmamedewerkers wenselijk diende te zijn.
Hij ging in zijn opiniestuk dieper in op programma’s, waarin het gesproken woord voorop stond en dus de muzikale omlijsting als bijzaak gold of zelfs geheel ontbrak. Hij doelde daarbij niet alleen, zoals Glimmerveen, op het programma ‘Hier en Nu’, maar noemde ook een aantal voor die tijd bekende radioprogramma’s als ‘Radioweekblad’, ‘Spitsuur’, ‘Plein Publiek’ en ‘Goal’ - het sportprogramma op de zaterdagavond van de KRO - ‘Vanavond Laat’ en ‘Sport Revue’. Het waren allen programma’s die in de categorie ‘informatief’ vielen en ook allen in stereo al werden uitgezonden.
Rip: ‘De informatie in deze programma’s bestaat voor 99% uit mono-bijdragen en dat is dodelijk voor de stereobacteriën. Goed, we ‘knuppelen’ wat met deze mono-bijdragen, maar stereo zal het nooit worden. Juist de luisteraar, die gewend is aan muziek in de ‘breedte’, hoort deze mono-bijdrage terugvallen op één virtueel punt op de basis tussen de luidsprekers. Ook de akoestiek, zover aanwezig, valt op datzelfde punt terug.’
Dat de luisteraars destijds meer informatie of betere identificatie zou krijgen bij het in stereo uitzenden van twee stemmen op twee verschillende virtuele punten was aanvechtbaar, daar er daar ook sprake was van twee mono-bronnen. Rip stelde dat voorafgaande niet vergeleken mocht worden met het zogenaamde ‘party- effect’, waarbij de toehoorder zich gemakkelijker dan bij mono kon concentreren op één bepaald geluid of stem in een door zogenaamde coïncidentie microfoons opgebouwd stereobeeld. Dat zogenaamd coïncident zijn was volgens Rip geen noodzakelijke eis, omdat eventueel ontstane looptijdverschillen mede bepalend konden zijn voor de richtingsinformatie en identificatie.
Gelijk aan Glimmerveen ging Rip ook in op het gegeven dat in 1973 incidentele stereoreportages maar summier waren te verwachten, mede gezien de nogal kostbare en lang niet altijd voorhanden zijnde lijnverbindingen en het gemis aan draagbare stereo-opnameapparatuur: ‘Zou de luisteraar bij de aankondiging van een dergelijk stereoprogramma geïnspireerd worden om op zijn ‘stereoluistervlak’ plaats te nemen, om een telefonisch interview aan te horen van een verslaggever via de linker luidspreker, die met een denkbeeldige lange arm van drie meter de telefoonhoorn hanteert in het rechterkanaal?‘
In die tijd was het algemeen bekend dat de stereo-ontvangst in Nederland nog wat te wensen overliet. Dit werd aan de ene kant veroorzaakt door onvoldoende kwalitatieve antennesystemen en aan de andere kant door het niet compleet bestrijken met het signaal van FM-zenders in de diverse vooraf technisch bepaalde ontvangstgebieden. Wel was er nog een positief feit te melden betreffende de ‘stereo-uitzendingen’ van Hilversum III, destijds de jongste loot aan het Hilversumse radiobestel. Rip: ‘Men beschikt over zogenaamde SQ-quadro-apparatuur. De luisteraar zal snel gaan merken dat dit station niet alleen in stereo maar zelfs in SQ-quadro schijnt uit te zenden.’
Het nieuws, de tijd-pips en STER-spots schoven daarbij als het ware door de huiskamer of andere ruimte heen, waarin men luisterde naar de radio. We kennen het ook wel als het zogenaamde ‘phase-effect’. Het was maar goed – met alle voor en tegens – dat er nog veel naar de radio werd geluisterd via buizenradiotoestellen, waarbij de mogelijkheid bestond om de zogenaamde mono-knop in te drukken om wat rustiger kunnen te luisteren naar de quasi- stereo-uitzendingen.
Later, datzelfde jaar, werd tussen 27 augustus en 2 september de Hi Fi RAI in Amsterdam gehouden, waar ook de NOS aanwezig was. Ondermeer toonde men een diaprojectie, waarin een overzicht werd gegeven van de ontwikkeling van de radio van de dertiger tot de jaren zeventig in de vorige eeuw. Ook werd er een demonstratie gegeven door de Programma – Technische Dienst, onder leiding van ir. Paul Snoek. Het betrof voor die tijd zeer vooruitstrevende acht-sporentechniek. De afdeling ‘Laboratorium’ van de Programma- Technische Dienst, gaf in samenwerking met de redactie van het NOS-programma ‘Hobbyskoop’, tevens voorlichting over FM-stereo en Quadrafonie. Opmerkelijk, op deze radio- en televisiebeurs, was de aanwezigheid van een deejayteam van Radio Noordzee, destijds als zeezender uitzendend op het zendschip MEBO II. Met aanwezigheid van het publiek werden er programma’s opgenomen, die een paar dagen later via de 220 meter werden uitgezonden.
Hans Knot, 12 mei 2014

de redactie

de redactie

Hans Knot: Fanclubs waren populair

In de jaren zestig van de vorige eeuw stonden in de toenmalige, populaire, muziekbladen kleine annonces afgedrukt waarin de fanclubs van bepaalde artiesten de lezers opriepen om lid te worden van de betreffende club. Ook waren er vervolgens weer organisaties, vaak gerund door een enkele persoon, die weer opriepen van hun club lid te worden. Zo ligt op dit moment een gestencild A4-tje voor mijn neus waarin allerlei informatie werd verspreid door een niet met name genoemde persoon, die zich tot de lezer richtte vanuit de Kromhoutstraat 30 in Rotterdam, met als doel leden te werven voor ‘The Free Radio Action’.
De term ‘Free’ had natuurlijk betrekking op vrijheid, iets wat babyboomers in die tijd vooral voor stond. Niet voor niets praten we al decennia over ‘vrije radio’ en had je bijvoorbeeld naast ‘The Free Radio Action’ ook organisaties als de ‘Free Radio Campaign’ en de ‘Free Radio Association’. Bij deze twee laatstgenoemde organisaties ging het om goed georganiseerde clubs, die ooit in Engeland hun roots hadden en vertakkingen hadden opgezet in andere landen. Zo was er een Free Radio Campaign in Duitsland, Scandinavië, Frankrijk en Nederland. Maar, zo ver ik me kan herinneren, stond The Free Radio Action in één paar schoenen in Rotterdam.
In de oproep om lid te worden van deze club werd een opsomming van activiteiten als wel namen van muziekprogramma’s genoemd, die betrekking hadden op de persoon die werd beschreven in het stencilwerkje. Het leest weg als een verhaaltje uit een gemiddelde schoolkrant uit die tijd en had als kop ‘Biogarphie Joost de Draayer’. Een tweede persoon in de organisatie – als die er was geweest – had ongetwijfeld de storende fout eruit gehaald. Maar goed, lees mee in dit stukje vol nostalgische informatie van een kleine halve eeuw geleden.
Hans Knot, 29 april 2014

de redactie

de redactie

Hans Knot: Pension Hommeles

Maar weer eens een terugblik in de kelders van de radiogeschiedenis waarbij een artikeltje tevoorschijn kwam uit de krant van 4 oktober 1957. Nee, het ging niet over een programma gericht op ‘Wereld Dierendag’, maar over de opvolger van een populaire radioserie van de VARA, ‘De Familie Doorsnee’. Deze radiostrip had een zo groot succes beleefd dat de directie van de omroepvereniging besloten had ook een televisiestrip te gaan maken onder de naam ‘Pension Hommeles’.
Voor deze serie, zo berichtte de krant, werd Annie M.G. Schmidt andermaal ingehuurd, evenals Cor Lemaire en Wim Ibo, waarbij de laatste - evenals bij 'de Familie Doorsnee’ - als presentator zou gaan fungeren. Men meldde tevens dat in deze muzikale comedie, die telkens op een zaterdagavond werd geprogrammeerd, ruimte werd gemaakt voor een nieuwe quiz: ‘Weet je wel wat je waagt’ van Theo Eerdmans en zijn assistente Maud.   Pension Hommeles was de eerste Nederlandse televisieserie en ging over de dagelijkse belevenissen van de vaste bewoners van een pension, in een tijd waarin niet vluchtig met het leven werd omgesprongen. Dit leidde natuurlijk tot een typisch Hollandse sfeer van personen en gebeurtenissen, waarin het publiek zich herkende. En gekeken werd er zeker naar het nieuwe programma en het kon worden gerekend tot de meest populaire televisieprogramma’s van de jaren vijftig van de vorige eeuw, waarbij het in de categorie ‘amusementsprogramma’s’ de absolute eerste plaats bereikte.   En veel van de voor de serie geschreven songs waren vervolgens bij herhaling te beluisteren in de diverse VARA radioprogramma’s. En natuurlijk – zoals ook de buurtkinderen in die tijd deden – werd er door velen veelvuldig de zaterdagavond doorgebracht bij buren of vrienden, die wel in het bezit waren van een televisietoestel en op die manier gezamenlijk de wekelijkse belevenissen van ‘Pension Hommeles’ konden meemaken. En uiteraard werd, over van alles wat die avond was gebeurd, achteraf goed doorgesproken met anderen, die het ook hadden gezien of aan de niet-kijkers, die ook wel op de hoogte wensten te worden gehouden. Als je de 65 plussers van heden ten dage vraagt naar de populaire televisieprogramma’s van die tijd dan staat voornoemd zaterdagavond comedie-programma vooraan in het geheugen. Toch heeft het programma niet een jarenlange uitzendperiode beleefd. Het nam een aanvang in oktober 1957, terwijl de laatste aflevering plaats vond op 5 april 1959. De producer van het programma, Wim Ibo, had er voor gezorgd dat de grote sterren van het toneel uit die tijd in de serie een rol gingen spelen. Hier een indruk van de namen van toen: met als vaste personen Mieke Verstraete, Kees Brusse, Mimi Kok, Maya Bouma, Donald Jones, Henk van Ulsen. Maar ook de namen van de gastspelers mochten er zijn: Ank van der Moer, Mien Duymaer-van Twist, Sara Heyblom, Dini de Neef, Cruys Voorbergh, Ko van Dijk, Guus Oster, Herbert Joeks, Ko Arnoldi.   De regie van ‘Pension Hommeles’ was in handen van Erik de Vries, ook wel ‘mister televisie’ genoemd, terwijl Cor Lemaire verantwoordelijk was voor de muziek, die werd uitgevoerd door ‘Kamer Kwartet’. En een televisieprogramma kon ook in die tijd niet zonder decor, waarvoor Fokke Duetz was ingehuurd. Op de volgende site is een overzicht te vinden van alle 16 afleveringen, waarbij een klik op de individuele afleveringen een mooi overzicht geeft in foto’s van ‘Pension Hommeles’: http://beeldengeluidwiki.nl/index.php/Pension_Hommeles
Donald Jones speelde een de rol van een van de vaste bewoners van ‘Pension Hommeles’ als Dinky, een zwarte Amerikaanse theologiestudent die hielp in het pension. Dinky, was de speelse, vrolijke, flamboyante aanwezigheid tussen de tobberige en geremde Nederlanders. Dinky zong en danste, lachte veel, was altijd vrolijk en meestal verliefd. Bijvoorbeeld op Klaartje Binnendijk, het meisje voor wie hij het bekendste liedje uit de serie zong: ‘Ik zou je het liefste in een doosje willen doen.’
De scène waarin Jones dit liedje zong, in het tweede seizoen van de serie, was een van de klassieke momenten in de Nederlandse televisiegeschiedenis. Jones, op de vloer van de gang van het pension, met Roekie Arons in zijn armen, zingend, op de jazzy muziek van Cor Lemaire, met een zwaar Amerikaans accent:
“Ik zou je het liefste in een doosje willen doen
En je bewaren, heel goed bewaren
Dan laat ik jou verzekeren voor anderhalf miljoen
En telkens zou ik eventjes het deksel open doen
En dan strijk ik je zachtjes langs je haren
Dan lig je in de watten en niemand kan erbij
Geen dief die je kan stelen, je bent helemaal van mij
Maar alleen om de eendjes wat eten te geven
Maar als je dan vlucht, raak ik jou toch niet kwijt
Want ik vind jou altijd, ja, ik vind jou altijd
Ik zou je het allerliefste in een doosje willen doen
En dan telkens even kijken,
Heel voorzichtig even kijken, telkens even kijken
en een zoen
Ik zou je het liefste in een doosje willen doen
En dan telkens even kijken,
Heel voorzichtig even kijken, telkens even kijken
Je mag er wel eventjes uit, elke dag
Een uurtje dat mag, ja een uurtje, dat mag
Je mag dan nog wel naar het Vondelpark even
Maar alleen om de eendjes wat eten te geven
Maar als je dan vlucht, raak ik toch jou niet kwijt
Want ik vind jou altijd, ja, ik vind jou altijd
Ik zou je het allerliefste in een doosje willen doen
En dan telkens even kijken,
Heel voorzichtig kijken, telkens even kijken en een zoen.”
Enkele jaren geleden werd de serie op DVD uitgebracht maar is helaas niet meer leverbaar. Het eerder gememoreerd onderdeel van Theo Eerdmans is nooit opgenomen in het totaal programma maar kwam later vanaf verschillende locaties uit het gehele land op de televisie. De Millers zorgden in eerste instantie voor de muzikale begeleiding, maar werden in de vierde uitzending vervangen door The Ramblers. In totaal werden er 20 uitzendingen verzorgd in 1957 en 1958 waarna het werd vervangen door een ander programma van Theo Eerdmans: ‘Je neemt er wat van mee’, waarover een andere keer meer.
Dank aan: SeniorPlaza.nl, Nederlands Theater Archief en annie-mg.com
Door Hans Knot, 26 april 2014

de redactie

de redactie

Hans Knot: Smaken verschillen

Het is voor de 60-plussers een pure herinnering aan de tijd dat ze zelf aan het puberen waren en ze voor de zoveelste keer tot orde werden geroepen door vader en moeder. Het was de tijd dat kinderen voor het eerst soms een eigen radio hadden, immers de transistorradio had haar tocht naar succes ingezet. De muziek, die vanuit dit voor ons nuttige apparaat door het huis schalde, lag lang niet altijd in de smaak van de ouders. Zachter zetten of tijdelijke inname van het toestel behoorden tot de keuzemogelijkheden.
Zelf, afkomstig uit 1949, had ik niet al te veel problemen met mijn ouders op het gebied van muziekkeuze, maar op school kwam dit onderwerp veelvuldig voorbij in gesprekken met klasgenoten. Als ik terugdenk aan het moment dat een muzieksoort mezelf ging tegenstaan, dan was het rond de tijd dat punkmuziek de ether vervuilde. Niet om aan te horen en gelukkig kon ik me terugwerpen op een aardige collectie muziek, aangelegd uit zowel pop- als klassiek repertoire.
Ik denk dat smaakverschil en discussie binnen gezinnen betreffende muziekkeuze sinds de jaren zestig van alle generaties is. Maar recentelijk kwam ik, tijdens een researchsessie, erachter dat ook in de jaren vijftig er de nodige verschillen waren en men streed om ‘van die dikke muziek en die hoempamuziek.’
Laten we eens teruggaan naar vrijdag 18 oktober 1957, toen van de kop van een regionaal dagblad, de Leidsche Courant, een advertentie ons toeschreeuwde: ‘Griep? Op Akkertjes kunt U bouwen’. Het was een ‘huis, tuin en keuken’ medicijn die je bij de lokale drogist kon kopen om pijntjes te bezweren. Tenminste zolang je erin geloofde. Het was ook de tijd dat de krant aandacht van de lezer en adverteerder trok door te stellen: ‘Ook morgen brengen onze advertenties veel nieuws’. De vraag die meteen bij me opkwam was of die ‘akkertjes’ ook hielpen bij het aanhoren van ‘verkeerde’ muziek.   Nieuws over muziek brachten die advertenties niet al te vaak maar wel de dagelijkse rubriek, die in tal van toenmalige GPD (Gemeenschappelijke Persdienst) – kranten voorkwam: ‘Ethergolven’. Het was in die rubriek dat in voornoemde maand de discussie over muziekkeuze werd aangehaald. Het waren vooral ingezonden brieven waaruit bleek dat een deel van de luisteraars niet langer tevreden was met datgene op de radio werd voorgeschoteld: ‘Die radio-uitzendingen, daar is tegenwoordig niets meer aan. Je moet het met een hoorspel of een amusementsavond treffen, maar voor de rest is het elke dag niets anders dan van die sprekers en die dikke muziek.’
En weer een andere schrijver bracht de ontevredenheid op een andere manier: ‘Goede radiomuziek kun je tegenwoordig niet meer horen. Het is altijd maar van die hoempamuziek. Kan dat niet een keer veranderen?’ Uiteraard werd met ‘dikke muziek’ het klassieke werk bedoeld en met ‘hoempa’ de lichte en meer vrolijke deuntjes. Laten we ervan uitgaan dat beide briefschrijvers destijds de beschikking hadden over een radiotoestel waarop vooral Hilversum 1 en Hilversum 2 goed te ontvangen waren. Het is dan logisch te oordelen dat de ene briefschrijver, die alleen maar ‘dikke muziek’ kon ontvangen het onjuist in zijn brief weerlegde, evenals de persoon die alleen maar ‘hoempa’ muziek op de radio hoorde voorbij komen. Natuurlijk was ook toen er een variatie in programma- en dus ook muziekaanbod. Duidelijk werd wel dat de eerste niet van klassieke- en de tweede niet van het lichte genre hield.
In deze tijd, met een overaanbod aan radiostations of andere vormen van muziekaanbod, is het snel schakelen naar iets anders als het
gebodene niet bevalt. Maar in 1957 was het anders. Hoe reageerde de samensteller van de rubriek ‘ethergolven’ destijds op de twee ingezonden brieven? ‘U, die dikke muziek niet verstaat, niet kunt volgen, zou de hele dag door, wanneer gij uw toestel ook inschakelt, vrolijke deuntjes willen horen en van dat gezellig-populaire, dat u kunt meezingen of –fluiten. Geen sprekers, geen uitzendingen over ‘dit of dat’, neen alleen gezelligheid. Maar de vraag is of U ook werkelijk altijd in de stemming bent, dit alles aan te horen. Ach, natuurlijk niet. Er moet bij U thuis ook wel eens tijd zijn voor ernstige praat en voor geestelijke dingen.’
Vervolgens werd de briefschrijver duidelijk gemaakt dat deze niet de enige was die naar de radio in Nederland zat te luisteren en tevens geadviseerd toch maar eens iets van klassieke muziek uit te gaan proberen. Daarbij niet de keuze te leggen bij werken van Ravel of Hindemith, maar kleinere stapjes te nemen naar composities van Haydn, Beethoven en Mozart. ‘Gaat U er eens met aandacht voor zitten en probeert U ook eens echt te luisteren naar wat U ‘dikke muziek’ noemt.’
En ook de schrijver die zich anti ‘hoempa’ muziek uitte werd op een eerlijke manier gewezen op het feit dat er een variatie aan programma’s was, die men niet diende te ontwijken: ‘En dan u, meneer mopperaar op de ‘hoempa’. Hebt U echt bij U ontbijt Beethoven al nodig? Kunt U zich niet scheren zonder Debussy? Kunt ge werkelijk avond aan avond van acht tot twaalf met groot genot klassieke of moderne meesters beluisteren? Laat in de tijden dat U ook géén radio wil beluisteren, de anderen, die zomaar van vrolijkheid houden, dan ook hun genoegen.’ Afsluitend merkte de samensteller van de rubriek op: ‘En nu, voor vandaag genoeg, maar morgen de rest.’
Speurende door de diverse radiobodes, zoals de omroepgidsen toen door het leven ging, ontdekte ik dat op de avond van de publicatie van de ingezonden brieven via de KRO het toneelstuk ‘Pepote, kind van de straat’ als hoorspel werd uitgezonden, waarna ondermeer een pianovoordracht van Glyn Townley was te beluisteren. Een totaal overzicht van zaterdag 19 oktober 1957, als het om de radiobeluistering in Nederland ging, treft U hierbij aan.
Maar de rest, zoals eerder gememoreerd, kwam niet de dag erna maar op maandag 21 oktober, toen nog even dieper in werd gegaan op het item: ‘smaken verschillen’. Want ook toen waren er meningen. Zo schreef iemand dat de omroepverenigingen, die liedjeszangers als Eddy Christiani voor de microfoon haalden, omdat de goede gemeente het goed vond, hun opbouwende – ethische – taak bepaald voorbij
gingen. Dezelfde briefschrijver vond dat er een ander euvel bestond, namelijk het brengen van domme, sentimentele, altijd op hetzelfde neerkomende liefdesliedjes, waarin nog altijd hart rijmde op smart en ogenblauw op ik hou van jou. De briefschrijver eindigde zijn pleidooi met ‘Hiervan wordt een mens voornamelijk zeeziek’. Het lijkt dat deze persoon een vooruitziende blik had en droomde ooit een radiostation te kunnen horen die vrijheid en blijheid bovenaan had staan, terwijl het uitzendend vanuit de vrije internationale wateren, echte radio zou gaan brengen.
Door Hans Knot, 20 april 2014.  

de redactie

de redactie



×

Belangrijke informatie

Door gebruik te maken van deze site ga je akkoord met onze Gebruiksvoorwaarden, Privacybeleid, en We hebben cookies op je apparaat geplaatst om de werking van deze website te verbeteren. Je kunt je cookie-instellingen aanpassen. Anders nemen we aan dat je akkoord gaat.