Jump to content

Search the Community

Showing results for tags 'hans knot'.



More search options

  • Search By Tags

    Type tags separated by commas.
  • Search By Author

Content Type


Forums

  • Radio stations
    • Netherlands
    • Belgium
    • United Kingdom
    • Other countries
    • Internet Radio
    • LPAM
    • Offshore Radio
    • Radio Veronica
    • Radio design
    • Radio Techniek
  • Other
    • MediaPages
    • Second-hand
    • Bar
    • Information for not registered users
  • Club 208's Discussies
  • Top 40's Discussies
  • Rob Stenders's Discussie
  • Rob Stenders's Gezocht
  • Rob Stenders's Overzicht
  • Top 2000's Discussies
  • KX Radio Archief's Projecten
  • KX Radio Archief's Gezocht
  • KX Radio Archief's Shows
  • Audio digitaliseren's Discussies
  • De erfgenamen's Discussies
  • Uitzoekopnames's Discussies
  • Curry & van Inkel's Discussies
  • 3FM archief's Discussies
  • Gerard Ekdom's Discussies
  • Evergreen Top 1000's Discussies
  • Edwin Evers's Evers staat op Radio 538
  • Edwin Evers's Evers Staat Op 3FM
  • XXL Bonanza's Discussies

Blogs

There are no results to display.

There are no results to display.

Categories

  • The Netherlands
    • 100% NL
    • Arrow Classic Rock
    • Arrow Jazz
    • AVRO
    • Classic FM
    • Groot Nieuws Radio
    • Hilversum 3
    • Hitnoteringen
    • Kink FM
    • KX Radio
    • NCRV
    • Noordzee FM
    • NOS
    • NPO Radio 2
    • NPO 3FM
    • NPO Radio 4
    • NPO Radio 5
    • NPO Radio 6
    • NPO FunX
    • NPO SterrenNL Radio
    • Qmusic (NL)
    • Radio 10
    • Radio 538
    • Radio Luxemburg
    • Radio Veronica
    • Sky Radio
    • SLAM!
    • Sublime FM
    • Transatlantic Radio
    • VARA
    • VOO
    • Yorin FM
  • Nederland Regionaal
    • Fresh FM
    • L1 Radio
    • NH Radio
    • Omroep Brabant
    • Omroep Gelderland
    • Omroep West
    • Omroep Zeeland
    • Radio Decibel
    • Radio Drenthe
    • Radio M Utrecht
    • Radio Noord
    • RADIONL
    • Simone FM
    • Wild FM Hits
  • Nederland Lokaal
    • Den Haag FM
    • Foute Muziek Radio
    • Lokaal 7
    • Lokale Omroep Echt Susteren
    • Omroep Baarle
    • Omroep Tilburg
    • Radio Hengelo
    • Twente FM
    • Twickelstad FM
    • Radio T-Pot
  • Belgium
    • Jouwradio
    • 4FM
    • Antwerpen FM
    • BRT
    • Donna
    • Joe
    • MNM
    • Nostalgie
    • Qmusic (B)
    • Radio 1
    • Radio 2
    • Radio Mango
    • Radio Minerva
    • Studio Brussel
    • Topradio
  • United Kingdom and Ireland
    • BBC Radio 2
    • Capital Radio
    • Radio Luxembourg
    • Smooth Radio
    • Classic Hits 4FM
  • Internetradio
    • 192 Radio
    • BigB21.nl
    • Dance Radio
    • Iceradio
    • Pinguin Radio
    • Radio Extra Gold
    • Surf Radio
    • Traffic Radio
  • Offshore-Radio
  • Kranten en tijdschriften
  • Hittips
  • Other

Find results in...

Find results that contain...


Date Created

  • Start

    End


Last Updated

  • Start

    End


Filter by number of...

Joined

  • Start

    End


Group


Website


Facebook


Twitter


Skype


Location


Interests

Found 187 results

  1. Het was in 1964 dat het idee ontstond bij de Canadese tak van Coca Cola Ltd., in samenwerking met het reclamebureau McCann-Erickson, om gebruik te gaan maken van popartiesten om hun product onder de aandacht te brengen van de jonge radioluisteraars. Als eerste artiest werd gekozen voor de jonge Canadese zanger Bobby Curtola die ‘Things go better with Coca Cola’ inzong. Ondanks dat vele Canadese radiostations het weigerden te draaien op de radio werd het toch een succes. Curtola werd een soort van reclamepaal voor de bottelmaatschappij en verscheen door het hele land voor promotieactiviteiten. Het succes van de acties met Bobby Curtola was reden genoeg voor de moedermaatschappij om het groots te gaan aanpakken. Vele zeer bekende artiesten werden bereid gevonden op hetzelfde thema een commercial in te zingen van ongeveer 90 seconden, die wereldwijd werden verspreid. Ook kregen radiostations de zogenaamde musical beds ter beschikking die te gebruiken waren bij de al overbekende spelletjes op de radio. Radio Veronica had bijvoorbeeld in 1971 in de zomer de zogenaamde ‘Hittip Toto’ lopen waarbij de versie van The Fortunes als ‘musical bed’ werd gebruikt door Lex Harding. Terugkerend naar het eerste idee om de soft drink via ingezongen commercials door een artiest als promotiemateriaal te gebruiken was Curtola niet de enige afkomstig uit Canada want in de volgende 12 maanden werden andere popartiesten uit dat land bereid gevonden ook mee te doen. Voor ons in West Europa totaal onbekende namen als ‘J.B. and the Playboys’, ‘Jack London’, ‘David Clayton’ en ‘Thomas and the Shays’ werden ook bereid gevonden de ultieme smaak via hun zang te promoten. Zoals al gemeld waren er veel artiesten die in de VS en later wereldwijd aan dit project meededen, met als eersten Roy Orbinson, The Four Seasons en The Surpremes. Bijna geen grotere namen waren toen mogelijk om de reclamecampagne op superscherp te zetten. En het succes van de eerste Canadese artiest in deze campagne leidde destijds tot meer. Zoals bekend heeft Canada een Engelstalig deel als ook een Franstalig deel, wat automatisch betekende dat er ook Franstalige commercials dienden te komen om de softdrink te promoten. Hiervoor werden onder meer ‘Cesar and the Romains’, ‘Les Baronets’ en ‘Les Cailloux’ ingehuurd. De grootste naam in de Franstalige campagne was echter die van Petula Clark. Ontzettend veel versies van het thema werden ingezongen en als er weer een nieuwe hit formatie aan het firmament verscheen van enige potentie dan waren de mensen van het reclame bureau er als de kippen bij om andermaal een nieuwe versie op te nemen. Vaak kwam het voor dat er met een bepaalde groep meerdere versies werden vastgelegd, zoals bij die van de Britse groep The Fortunes. Op You Tube zijn er volop ‘Coca Cola it’s the real thing’ spots te scoren. En dan is er nog het verhaal van Bill Backer, creatief directeur voor de Coca-Cola account van het voornoemde McCann Erickson reclamebureau. In januari 1971 vloog Backer naar Londen om Billy Davis, de muziekdirecteur van de Coca-Cola account, te ontmoeten en radiocommercials te schrijven met twee succesvolle Britse songwriters, Roger Cook en Roger Greenaway. Het was de bedoeling dat Britse artiesten de nieuwe commercials zouden gaan inzingen en er zelfs een single versie werd gepland met The New Seekers. De zware mist in Londen dwong het vliegtuig te landen op het vliegveld bij het Ierse Shannon. Voor het uitstappen werden de passagiers geadviseerd in de buurt van het vliegveld te blijven voor het geval de mist optrok. Sommigen van hen waren woedend over hun accommodatie. De volgende dag zag Backer enkele van de meest woedende passagiers in het luchthavencafé. Samengebracht door een gemeenschappelijke ervaring, waren velen op dat moment aan het lachen en het delen van verhalen over snacks en flessen Coca-Cola. Op dat moment zag Bill Backer een fles cola in een heel nieuw licht en begon hij een fles Coca-Cola te zien als meer dan een drankje dat honderd miljoen mensen per dag opfrist in bijna elke uithoek van de wereld. Dus begon hij de bekende woorden, 'Laten we een cola nemen', te zien als meer dan een uitnodiging om te pauzeren voor een verfrissing. Ze waren eigenlijk een subtiele manier om te zeggen: 'Laten we elkaar even gezelschap houden'. En Backer wist dat ze over de hele wereld werden gezegd zoals hij daar in Ierland zat. Dus dat was het basisidee: om Coke niet te zien zoals het oorspronkelijk was ontworpen - een vloeibare verfrisser - maar als een klein beetje gemeenschappelijkheid tussen alle volkeren, een universeel geliefde formule die zou helpen om ze gezelschap te houden voor een paar minuten. Toen hij eindelijk in Londen aankwam, vertelde Backer aan Billy Davis en Roger Cook wat hij had gezien in het café op de luchthaven. Nadat hij zijn gedachten had geuit over het kopen van een cola voor iedereen in de wereld, merkte Backer dat Davis's eerste reactie helemaal niet was wat hij had verwacht en vroeg hem: "Billy, heb je een probleem met dit idee?" Davis onthulde langzaam zijn probleem. "Nou, als ik iets kon doen voor iedereen in de wereld, zou het niet zijn om ze een cola te kopen." Uiteindelijk werd het toeval op het vliegveld van Shannon volgens overlevering de bron voor de compositie van ‘I’d like to buy the world a coke’ en werd er een speciale versie voor The New Seekers gecomponeerd, maar hun manager stelde dat de groep geen tijd had om de song op te nemen. Davis liet een groep studiozangers het nieuwe liedje ‘I'd Like to Buy the World a Coke’ opnemen. Ze noemden zichzelf The Hillside Singers en wel om zich te identificeren met het beeld dat werd vertoond tijdens de promotiefilm. Binnen twee weken na de release van de Hillside Singers opname stond het in de nationale hitlijsten. Twee weken daarna kon Davis alsnog de New Seekers overtuigen om de tijd te vinden en hun versie van ‘I'd Like to Teach the World to Sing (in Perfect Harmony)’ op te nemen, de nieuwe titel voor de liedversie van ‘I'd Like to Buy the World a Coke’. Hij nam ze mee naar de studio op een zondag en produceerde de plaat die een Top 10 hit werd, gevolgd door de Hillside Singers' versie als nr. 13 in de pop hitlijst van Engeland. Het nummer werd opgenomen in een breed scala van talen en verkocht meer bladmuziek dan enig ander nummer in de toen voorgaande 10 jaren. De Coca-Cola Company schonk de eerste 80.000 dollar aan royalty's, die schrijvers en uitgevers van het lied hadden verdiend, aan UNICEF in het kader van een overeenkomst met de schrijvers. Het betekende een eeuwige bekendheid van de song waar, bij het aanhoren van de eerste tonen, vrijwel iedereen mee begint te zingen dan wel te neuriën. Zo, tijd voor een Zero Coke voor mij! Bill Backer over de commercial Met dank aan The CocaCola Company Archive. Hans Knot, 1 februari 2020
  2. Mag ik U uitnodigen de knop anno 2020 om te draaien en in een tijdscapsule plaats te nemen. Ik ben namelijk van plan u mee terug te nemen naar een jaar, dat we liefst 54 jaar geleden beleefd hebben. Hoe jong waren we toen, waar hielden we ons mee bezig en waar woonden we? Wat weten we nog uit die tijd en hoe hebben we het een en ander beleefd. Ik ga proberen in het verhaal uw geheugen op te frissen naar de tijd van toen, 1965. Zoals u van mij gewend bent geef ik geen chronologische opsomming van het nieuws maar ga heen en weer het jaar door en zo begin ik deze nostalgische terugblik over het jaar 1965 in het prille begin van de maand september toen er danig veel consternatie ontstond betreffende het niet goed functioneren van een bepaald aangeboden middel in het Rutgers Huis in Amsterdam. Velen in ons land en in het buurland België lagen de herinneringen aan het Softenondrama, waarbij vrouwen die zwanger waren een atoxisch slaapmiddel was uitgereikt wat leidde tot misvormde baby’s, nog fris in het geheugen. Duidelijke missers vanuit de farmaceutische industrie, waarbij waarschijnlijk de fout was gemaakt het toen nieuwe middel niet uitputtend lang te testen op bruikbaarheid in de daarvoor geschikte laboratoria. Het té snel op de markt brengen van het middel leidde tot alle bekende rampzalige gevolgen. In september 1965 kregen verscheidene vrouwen, die in het Rutgers-Huis in Den Haag waren geweest en een anticonceptie pil hadden gevraagd, er een uitgereikt in de vorm van een in Italië vervaardigde ciclo farlutal pil. In plaats van niet in verwachting te raken, na inname van de pil waren diverse vrouwen, na inname, toch in verwachting geraakt. Uit een brief aan getroffene vrouwen blijkt hoe de betrokken personen werden benaderd. In een korte persverklaring werd vanuit het Dr. J. Rutgershuis, zoals de instelling volledig heette, meegedeeld dat ‘de pillen zo volledig mogelijk waren teruggenomen en aan de fabriek werden teruggestuurd.’ Vreemd genoeg was het niet de dagbladpers – die er met nog geen woord over had gerept – maar het toenmalige weekblad ‘Wereld Kroniek’, die op de problemen inging op de pagina ‘Wekelijks Kontakt’ waarin de lezer onderwerpen kon inbrengen, waarna onderzoek werd gedaan en tot publicatie werd overgegaan. Aangenomen mag dan ook worden dat één van de lezers voornoemde mededeling – die ze per post had ontvangen – had doorgestuurd aan de redactie van deze rubriek. De redacteur, Victor Land, nam destijds telefonisch contact op met de in de brief genoemde personen, maar dezen waren niet bereid meer gedetailleerde gegevens te verstrekken. De toenmalige Amsterdamse vrouwenarts, dr. L.I. Swaab, destijds vaak als woordvoerder van de N.V.S.H. op de voorgrond, zei wel het een en ander over de kwestie te hebben gehoord, maar vertelde tevens dat – zo ver het hem bekend was – het middel door de N.V.S.H. niet verstrekt was aan vrouwen in Nederland. Ook werd de Amsterdamse vrouwenarts Kroning door Victor Land benaderd. Kroning had zich in diverse publicaties bij herhaling afgezet tegen het verstrekken van bepaalde anticonceptiemiddelen, wegens tal van min of meer ernstige bijverschijnselen. Kroning vertelde dat er uit zijn praktijk enkele gevallen bekend waren van vrouwen die het middel ciclo farlutal als oraal anticonceptiemiddel was verstrekt en desondanks toch zwanger waren geworden. De pil, zo was inmiddels ook duidelijk geworden, zou niet voldoende de ei-barsting tegen gaan en menstruatiestoornissen veroorzaken. Het was trouwens niet de eerste ‘pil’ die niet goed werkte; een Belgisch farmaceutisch product was het Italiaanse middel voorgegaan en ook uit de distributie gehaald. En dan te bedenken dat in sommige publicaties, die nu nog via internet openbaar zijn, het middel ciclo farlutal als perfect ovulatieremmer wordt aangeprezen. In oktober 1965 werd in Rotterdam voor de 18de keer ‘de Femina’ georganiseerd, een manifestatie gericht op de consument. Uit geheel Nederland, en ook uit het buitenland, stroomden de bezoekers het Ahoy complex weer binnen om zich te verlekkeren aan een groot aanbod dat de producenten te bieden hadden. Aan van alles was gedacht, waaronder ‘speelgoed stad’, ‘demonstratie apotheek’, de deeltentoonstelling ‘Comfortabel Wonen ‘65’, een doe het zelfcentrum, een schoenherstellers werkplaats en tenslotte een bijna doorlopende modeshow, die was ingesteld op het wolwinterseizoen. Voor de vrouw een prachtig rustgevende en tevens opwindende dag. Even uit het gezin een dagje voor zichzelf om de jongste ontwikkeling van het dagelijkse leven te kunnen zien en proeven. De recensies van de dag - en weekbladpers waren andermaal lovend. Al eerdere afleveringen van Femina waren grote successen gebleken. Bij de 18de editie werd vooral de ‘Speelgoedstad’, die de gehele glazenzaal van Ahoy vulde, geprezen. De samenstellers van dit onderdeel waren er in geslaagd een droomwereld neer te zetten die tegelijkertijd ook een miniatuur van de werkelijkheid was. Bovendien was de Speelgoedstad alles anders dan statisch; vol mechaniek en beweging. Naast de vele vrouwen waren ook anderen, waaronder kinderen en ouderen onder de vele bezoekers, die niet uitgekeken raakten op al het speelse goed. Een novum voor de Femina in 1965 was ongetwijfeld de ‘demonstratie apotheek’, waarin men de nijvere assistenten op de vingers mocht kijken bij het met de hand bereiden van diverse medicijnen, iets wat in die tijd deels gebruikelijk was. Kunnen we ons bijna niet meer voorstellen nu een groot deel van de medicatie aangeleverd wordt vanuit een centraal verdeelcentrum in het land aan onze persoonlijke apotheek, waarbij het zelfs persoonsgebonden en gesealed, een totaal pakket bij de apothekersbalie kan worden afgehaald. Bij de ‘schoenmakerswerkplaats’ werd duidelijk getoond dat men op weg was naar de totale omwenteling van een oud ambacht, door middel van de invoering van de voor die tijd moderne machines. Bij de inrichting van de afdeling ‘Comfortabel Wonen ‘65’ was geen detail over het hoofd gezien, wat inhield dat men voor alle vragen, wensen en problemen bij de voorlichters terecht kon. Van de gebrachte informatie, die op een begrijpelijke manier werd overgebracht, straalde de professionaliteit en tevens openheid uit. Een ieder kon, van het gebrachte, duidelijk wat opsteken. En over ‘Doe het zelf’ gesproken was het duidelijk dat, bij een tekort aan gediplomeerde vaklieden, er naar gestreefd werd de consument zoveel mogelijk zelf, op een gemakkelijke manier aan de hamer en zaag te krijgen. En uiteraard lag een exemplaar van het tijdschrift ‘Doe het zelf’ voor de bezoeker klaar, met de belofte bij het nemen van een abonnement, een stuk gratis gereedschap te kunnen bemachtigen. Hans Knot, 25 januari 2020
  3. In de nostalgische column van vorige week haalde ik al de nodige herinneringen op aan het jaar 1972, waarbij in het laatste deel van de column onder meer aandacht voor een van de satirische programma’s uit die tijd, Hadimassa van de VPRO. Maar het was niet het enige programma dat aandacht trok in dat genre, want ook was er bij een andere omroep een dergelijk programma waar een halve eeuw later nog met veel plezier door velen aan wordt teruggedacht. Want wees nu eerlijk bij de vraag wat er naar boven komt als ik de woorden: ‘het is uit het leven gegrepen’ je voorschotel? De NCRV had in die tijd op Nederland 2 het programma ‘Farce Majeur’, waarin met de nodige kwinkslagen de politieke en maatschappelijke zaken aan de tand werden gevoeld. In een vroeg interview, nadat de serie voor het eerst werd uitgezonden, stelde tekstschrijver Alexander Pola: ‘het programma is niet links en niet rechts. Het is modern, kun je beter zeggen. Maar het is beslist niet een beperkt programma, zoals gesuggereerd werd omdat er geen vrouwen in meedoen.’ En wees nu eerlijk, kijk je ook niet eens een oud fragment terug op het internet? Vreugde was het ook om weer een aflevering te kunnen zien van ‘De Versierders’, met Roger Moore en Tony Curtis in de hoofdrollen. Als ik heden ten dage een aflevering van de serie – die nog wel eens langs komt op de diverse satellietkanalen – zie, begrijp ik niet dat ik er ooit wat aan heb gevonden. Gemaakte Britse humor met quasi stuntelig acteerwerk. Absolute topper voor de Nederlandse producties was in 1972 ‘De Kleine Waarheid’, waarin Willeke Alberti de hoofdrol speelde. Op 26 december 1971 ging de eerste aflevering er uit en liefst 26 weken lang zat een groot deel van het Nederlands volk gekluisterd aan, wat nog steeds wordt gezegd, de mooiste dramaserie die er ooit voor de Nederlandse televisie is geprogrammeerd. Het script verhaalde het leven van Marleen Spaargaren, een meisje dat in Amsterdam werd geboren en opgroeide in een burgerman gezin. Al vanaf haar jeugd probeerde ze het burgerlijke te ontvluchten, en kwam daardoor regelmatig in conflict met (met name) haar vader. Jacobus Spaargaren was ambtenaar bij de Stadsbank van Lening, en was als de dood dat hij niet voor vol werd aangezien door de buurt. Marleen ontvluchtte haar ouderlijk huis al op jonge leeftijd, en toen haar vader kwam te overlijden nam ze de zorg op zich voor haar broer Eppo, die meer aandacht nodig had als een gemiddeld kind van zijn leeftijd. Het verhaal gaf een goed beeld van het leven van de 'gewone' Amsterdammer aan het einde van de 19de eeuw. De serie werd een gespeelde versie van het gelijknamige boek geschreven door Jan Mens. En midden in de week in 1972 keken horden kijkers naar het programma ‘Mik’ op de KRO televisie. Dorpse amusement waarin de hoofdrollen waren weggelegd voor Gait Jan Kruutmoes en Drika. Humor en zang gebracht in een ‘Veluwe’ accent, in een programma dat eerst een radioversie kende als ‘De Boertjes van Buuten’. ‘Gait Jan Kruutmoes’ was Kees Schilperoort, terwijl Annie Palmen de rol van ‘Drika’ voor haar rekening nam. Een andere hoofdrolspeler van ‘Lubbert van Gortel’, die neergezet werd door Henk Jansen van Galen. Daarnaast kunnen nog André Carell, Piet Ekel en Pierre van Ostade genoemd worden. Liefst 125 afleveringen van ‘Mik’ werden er uitgezonden. Uiteraard kennen we Kees Schilperoort ook van het KRO en later Veronica programma ‘Raden maar’, dat tevens immens populair was in die tijd. Afbeelding: Noorderstation Groningen 1960 (foto archief familie Knot) Dan, zoals beloofd, weer een verdwenen stukje Groningen, waarmee ik U naar terug wil nemen. Op zondagen, in de tweede helft van de jaren vijftig en de eerste periode van de jaren zestig van de vorige eeuw, was het altijd met het hele gezin Knot even bij ‘Opoe en Opa Knot’ langs gingen. Dit gebeurde op de zondagen en vaste prik was dan het koffiedrinken in hun bejaardenflatje. De koffie, die werd geschonken, was een mengelmoes van pruttelkoffie die de hele week als ‘restjes’ was opgespaard en op zondag werd opgekookt met melk. De grootouders woonden in de noordelijke stadswijk, die toen geen bepaalde naam had, aan de Johan de Witstraat. Slechts twee woonblokken verder had je de spoorbaan die leidde naar onder meer Delfzijl met daarachter het wijdde veld. Op dergelijke dagen hadden we als kleinkinderen soms, als het mooi weer was of wanneer we goed op elkaar pasten, de mogelijkheid een half uurtje buiten te spelen in de omgeving van de Johan de Witstraat. Wel daar was nogal wat te zien voor de opgroeiende jeugd. Naast de remise van het Openbaar Vervoer (de trolleys en de bussen) was er een station, het zogenaamde ‘Noorderstation’, een naam die tot en met 1972 in gebruik is geweest en in 1973 werd veranderd in Station Noord middels een nieuw gebouw. In 1879 werd door de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat besloten dat er een verbinding zou komen tussen de stad Groningen en Delfzijl, echter niet middels een rechtstreekse verbinding maar via een omweg met stopplaatsen als Sauwerd, Bedum, Stedum, Loppersum en Appingedam. Er diende daarvoor ook een station worden gebouwd, dat in eerste instantie gepland werd bij de doorsteek van de Moesstraat naar de toenmalige weilanden. Later werd op dit besluit teruggekomen en werd het station gepland aan het toenmalige Studentenpad. Het zou enige jaren duren alvorens de spoorbaan richting Delfzijl was voltooid en in juni 1884 werd er een noodstation neergezet in de vorm van een houten loods. Enkele maanden later werd het latere ‘Noorderstation’ opgeleverd. Twee dingen die ik even wil benadrukken. De treinen die destijds daar reden waren voornamelijk blauw van kleur en heetten de Blauwe Engel. In 1972 werd een groot deel van het zogenaamde rijdend materiaal in Nederland vervangen door de overbekende gele treinstellen. Voor het station zie ik in gedachten meteen weer een telefoonhokje. In die tijd waren de cellen grijs van kleur en bovenin was in het glas het woord ‘telefooncel’ in blauw aangebracht. De treinen reden als het ware op de rails voorbij langs de toen nog ‘nieuwbouwhuizen’ van de Van Oldebarneveldlaan. Overgangen voor het spoor waren er genoeg. Ouderwetse overgangen, waarvan deels de spoorbomen met de hand werden bediend. Je vond ze bij de Kerklaan, de Moesstraat en de Asingastraat. En dan heb ik het slechts over de overgangen in het noordelijke stadsdeel van de Martinistad Groningen. Om tussen Moesstraat en het station nog een overgang te creëren voor de vele wandelaars, die naar de nieuwbouw achter het Noorderstation wilden, de zogenaamde ‘Studentenbuurt’ dan wel de ‘Driehoekbuurt’, werd door de leiding van de NS besloten dat er een voetbrug moest worden geplaatst. De brug kwam direct naast het station, een brug die in 1926 werd gebouwd in Duitsland. Als je deze overging kwam je terecht bij enkele nieuwbouwstraten maar ook bij het gebied van ‘Het Noorden’ een plek waar ’s winters, mits het goed had gevroren, een natuurijsbaan werd aangelegd. Leuk was het altijd weer met een hand vol steentjes de loopbrug te bewandelen en ze één voor één naar beneden te gooien. Volgende keer meer rond deze opmerkelijke buurt in Groningen. Hans Knot, 18 januari 2020 Afbeelding: Farce Majeur (foto Jack de Nijs / Anefo / Wikipedia)
  4. Onlangs zaten we te kijken naar een verslag van de Nederlandse Kampioenschappen Afstanden voor Schaatsen, dat dat weekend werd verreden in Heerenveen. Pas als je ouder wordt begin je te begrijpen dat er in een mensenleven heel veel kan veranderen. Niet alleen met jezelf en de personen in je directe omgeving, maar ook met bijvoorbeeld de beleving van de sport, het vaker denken aan mensen die er vroeger nog wel waren in het leven. Met betrekking tot het schaatsen en Nederlandse successen denk ik vaak terug aan de tijd van Ard en Keessie in de jaren zestig. Beperkte verslaggeving in zwart/wit en Bob Spaak als commentator. Broer Jelle en ik waren geheel verslaafd aan het volgen van de wedstrijden schaatsen en wensten zoveel mogelijk informatie in te winnen om een mooi geheel te krijgen met onze eerder verkregen tabellen van EK en WK wedstrijden, die we via radio en televisie hadden gevolgd. We regelden via Harry Hesselink, die zowel bij het Dental Depot Groningen als het Nieuwsblad van het Noorden actief was, toegang tot de archieven van de voornoemde krant, die waren gevestigd aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen. Nee, het was niet zo gemakkelijk als heden ten dage om via het digitale krantenarchief iets op te zoeken. Je diende in grote leggers, per maand samengevat, op zoek te gaan naar uitslagen. Vele zaterdagen zaten we tussen de stoffen leggers om alles uit te zoeken en met een kladblok naast ons alles wat er werd gevonden op te schrijven. En dan ging je via Jaap Eden, via Broekman naar Ard en Keesie. Uiteraard met vele andere grote en vooral kleinere successen er tussen in voor de Nederlandse afvaardigingen naar de diverse kampioenschappen, die alleen werden gehouden op natuurijs in die decennia waarin we zochten naar uitslagen. Soms waren er momenten dat we niets vonden en des te heerlijk was het als er toch weer een aardig aantal tijden, die waren gereden, werden teruggevonden. Tijden die uiteraard niet waren te vergelijken met de tijden die heden ten dage op de snelle indoor ijsbanen worden verreden. Tijden waren destijds vooral afhankelijk van de weersomstandigheden en bovendien kwam het een groot aantal malen voor dat een geplande kampioenschap niet doorging, dan wel werd verplaatst, vanwege de weersomstandigheden. Het kwam zelfs voor dat de wedstrijden, verreden op buitenbanen, na een beperkt aantal deelnemers, werd stil gelegd om de overtallige hoeveelheid water van de baan te verwijderen. De jeugd van nu is dit totaal niet te verklaren dat dergelijke maatregelen destijds waren te nemen. Uiteraard wordt de drang naar nostalgie, al dan niet bewust aangedreven, groter en ook in het geval van nostalgie denk je soms met verdriet, maar vooral met een grote knipoog, terug aan de tijden van ‘toen’. Inderdaad ‘toen’ want de tijdperk omschrijving is niet exact te geven daar bij elke andere gedachte naar nostalgie je nooit direct in dezelfde periode terecht zal komen. Laten we maar eens kijken hoe ons kijkgedrag was naar de televisie in 1972. In het begin van het jaar dreigde er trouwens een, in die tijd, zeer populaire serie, te gaan verdwijnen. Het werd door miljoenen kijkers in dertien landen altijd met veel vreugde bekeken en dan hebben we het over de Britse televisieserie voor het hele gezin genaamd: ‘Please Sir’. Het ging over de belevenissen op een gemiddelde school, waar zoal het een en ander gebeurde en na jaren van succes hadden bepaalde vaste spelers geen zin meer om hun rol nog langer te vertolken en wilden de tekstschrijvers ook wel eens wat anders. Zo was het er het probleem van ‘Duffy’, die in de serie een 15-jarig jongentje was, maar in het dagelijkse leven een vader uit een huisgezin met twee kinderen. Na lang overleg kwam veel later in 1972 het goede bericht dat de serie als nog was gered. Men had twee nieuwe tekstschrijvers gevonden in de personen van John Esmond en Bob Larbey en bovendien kreeg de serie een nieuw jasje. Men ging werken vanuit twee verhaallijnen. De eerste volgde nieuwe leerlingen in de oude klas terwijl de tweede verhaallijn de oude leerlingen ging volgen in de maatschappij. Deze laatste ging ‘Fenn Street Gang’ heten en alle voormalige leerlingen keerden wekelijks terug in hun favoriete koffieshop en werd er verhaald over hun nieuwe leven. Duffy ging in het leven verder als schilders knecht. De actrice Penny Spencer, die in de eerdere serie de rol van seksbom van de klas, genaamd Penny, speelde, keerde niet terug omdat ze elders een vervolg op haar loopbaan zocht. Wel kwam de rol van Penny in handen van Carol Hawkins en als Penny werd ze boetiekhoudster. En zo had een groot aantal spelers een nieuwe rol en anderen keerden niet terug. Ach, en dan waren de rollen voor de sullige conciërge en de geduld loze leraren in de nieuwe serie bij lange na niet zo leuk als eerder. Ik ben na een aantal afleveringen, na het begin van de nieuwe opzet, afgehaakt hoewel terwijl ik dit schrijf de herkenningsmelodie van het London Weekend Orchestra direct door mijn hoofd gaat. Maar we keken destijds ook vol genot naar andere televisieprogramma’s. Het aanbod was aanzienlijk minder als wat er nu over ons wordt verspreid maar op de één of andere manier keek je met veel meer fascinatie naar de programma’s. Hadimassa werd op vrijdagavonden geprogrammeerd door de VARA op Nederland 1. Het was een satirisch programma dat werd gemaakt met als hoofdrolspelers Wim de Bie en Kees van Kooten. Ze werden uitstekend bijgestaan door Ton van Duinhoven, ook bekend als het typetje in de reclame destijds van het snoepketen ‘Jamin’. Kooten en de Bie waren in 1970 benaderd door Dimitri Fränkel Frank om slechts één scène te schrijven voor het nieuwe programma maar deze éénmalige medewerking liep uit de hand hetgeen tot gevolg had dat men drie seizoenen lang een groot succes was. Ook Annemarie Oster en Ton Lensink waren van de partij. Eigenlijk kon je spreken van ‘welvaart satire’ dat werd gebracht. In het programma, dat in 1972 haar einde bereikte, werd ook volop gezongen hetgeen destijds leidde tot het uitbrengen van de LP Hadimassa. Een aflevering van het programma uit 1970 werd destijds ingestuurd naar het Televisie Festival van Montreux. Nadat het programma in 1972 was stopgezet besloten Kooten en de Bie de overstap te maken naar de VPRO waar ze tal van successen hadden in de daarop volgende decennia. Volgende week meer herinneringen aan 1972. Hans Knot, 11 januari 2020. Afbeelding: Wim de Bie en Kees van Kooten in Hadimassa (1970) (foto Beeld en Geluidwiki)
  5. Vandaag is het boek 100 jaar radio van Hans Knot gepubliceerd. Vol met historische verhalen die het ons geliefd medium belichten. Via www.mediacommunicatie.nl kun je een overzicht van de hoofdstukken zien, maar ook een idee van hoe een hoofdstuk eruit zien. Bovenal hoe het boek is te bestellen www.mediacommunicatie.nl
  6. Het was in de maand maart 1967 dat een flink aantal luisteraars van Swinging Radio England en Radio Dolfijn toch wel nieuwsgierig waren in hoeverre de werkzaamheden voortgang hadden aan het zendschip van beide radiostations, de Laissez Faire. Het was in een zware storm in de problemen geraakt waarbij onder meer de zendmast was afgebroken. Op Radio Dolfijn was op dat moment het programma van Lodewijk den Hengst bezig, die niets van de problemen merkte en gewoon een programma aan het presenteren was. Het signaal kwam echter niet verder dan het zendschip gezien de gebroken mast. Reparatie was noodzakelijk in een haven en zo werd er gekozen voor die van Zaandam. Een van de nieuwsgierigen was destijds Ehard Goddijn, die op 12 maart 1967 een bezoek bracht aan het zendschip en daarvan verslag deed in onder meer het Benelux DX-Club blad van de maand april dat jaar. Laten we eens zien wat hij destijds had te melden. ‘Ik was in de gelegenheid een bezoek aan de Laissez Faire te brengen omdat het voor een reparatie aan de mast in Zaandam lag. Echter, toen ik er aan kwam bleek de mast al gerepareerd te zijn. Alleen de tuidraden dienden nog gespannen te worden. Ik had een lang gesprek met de Engelse radiotechnicus Bob Gittus. Wel dient vermeld te worden dat ik eerst, vanwege de douane, niet aan boord mocht. Tijdens het gesprek met Gittus kwam er een deejay van Britain Radio (nu dus Radio 355) langs en hij vroeg of ik de studio van Radio Dolfijn (nu Radio 227) wenste te zien. Nadat de voornoemde technicus nog wat zinnen met de deejay wisselde kreeg ik permissie om aan boord te gaan. En zodoende kreeg ik interessante dingen aan de weet. De twee Continental zenders met een E.R.P. van 55 kW worden gevoed door twee generatoren van respectievelijk 180 kVa en 250 kVa. Beide zenders zijn door middel van een scheidingsfilter aan één antenne gekoppeld. Dit systeem is uniek te noemen voor middengolf gebruik. Het uitgestraalde vermogen van elke zender is ’s winters slechts 27 kW, omdat de impedantie van de zendantenne door de grote zoutafzetting en de sterkere wind veranderd is. Wanneer men ’s winters toch met een E.R.P. van 55 kW zou werken zou er vonkoverslag optreden. Binnenkort gaat men weer met 55 kW aan vermogen werken. De zenders zijn gebouwd volgens het systeem van schermroostermodulatie. Om de juiste modulatie-diepte te krijgen wordt een laagfrequent vermogen van maar liefst 6 kW door de l.f. versterker aan de eindbuis van de zender toegevoegd. Het inwendige van beide Continental zenders kon ik helaas niet te zien krijgen, omdat de zenderkasten door de douane verzegeld waren. Er is op het radioschip Laissez Faire een speciale studio ingericht voor de nieuwsuitzendingen en het opnemen van de advertentiespots. 75% van deze spots worden namelijk aan boord opgenomen. In de studio van Radio Dolfijn (227) beschikt men over verscheidene draaitafels, vele banden die in een soort carrousels zijn opgeborgen; twee taperecorders en de carrousels zijn zo geconstrueerd, dat met een druk op de knop elk gewenst bandje uit een groep van 15 bandjes tevoorschijn komt. Alle apparatuur is van het merk Collard. De belangrijkste sponsor van Radio 355 (ex Britain Radio) is Ted Amstrong. Elke dag betaalt hij 250 Pond voor zijn dertig minuten durende godsdienstige uitzendingen. Daarmee zal het nog wel even duren, voordat de Radio Europa gedachte door Radio 355 gerealiseerd zal worden. Uitzendingen in het Frans waren namelijk gepland voor de inwoners van Franstalig België’, aldus Ehard Goddijn destijds onder meer in het Benelux DX blad van de maand mei 1967. Met de laatste opmerking kan worden opgemerkt dat ikzelf inzake deze zogenaamde ‘Radio Europa’ planning slechts éénmaal iets heb vernomen en dat was in voornoemd artikel. Hans Knot, 9 november 2019
  7. Het gegeven dat ik al een halve eeuw publiceer over radio en aanverwante zaken betekent ook dat ik een gigantisch archief heb opgebouwd waaruit kan worden geput en is er ook een bepaalde drift om zoveel mogelijk met een ieder te delen. Natuurlijk zijn de tijden van toen indirect wel met die van nu te vergelijken maar aan de andere kan heeft die tijd qua ontwikkeling verre van stilgestaan. Ik wil graag weer een aantal onderwerpen van meer dan vijftig jaren geleden met U delen. Want ook in 1960 was de schaar en het flesje gluton al in aanslag om weer iets voor later vast te leggen. De geur van het plakmiddel komt zo weer naar boven. Zo bijvoorbeeld bij een oud recept, waarin het woord ‘Planta’ als een van de bereidingsmiddelen voorkwam, bracht mij tot de gedachte dat de in het recept gemaakte lekkernij voor of in 1960 werd gemaakt. Als je anno 2019 een grote Jumbo in gaat om boodschappen te doen, kom je ettelijke tientallen meters met glazen koelkasten tegen waarin vele soorten en merken boter, margarine, halvarine en andere smeerbare producten liggen uitgestald. Voor elk wat wils. In de jaren vijftig van de vorige eeuw was het aanbod veel minder in variatie en soorten. Roomboter werd in de kruidenierswinkel hoofdzakelijk nog uit de kuip verkocht. Verder was er een aantal merken margarine, en daar was de huismoeder mee tevreden. Ook toen al werd een groot deel van deze verbruiksmiddelen voor de keukenprinses al gemaakt bij Unilever. Vlak voor een nieuw decennium werd er besloten te proberen een nieuw product in de markt te zetten, waarbij Planta, dat al als margarine bekend stond, ook een vernieuwde versie zou krijgen zodat men er ook mee kon bakken en braden. Wel diende aan het product een zogenaamde Emulgator ME 18 te worden toegevoegd, en zo geschiedde. Planta was een product, de naam zei het al, dat geheel werd gemaakt op basis van plantaardige vetten. Maar de toevoeging van de Emulgator bleek toch niet zo’n succes als werd verwacht. Men had de toepassing van het middel, zoals toen al gebruikelijk was, op diverse dieren uitgetest, hetgeen geen negatieve effecten opleverde en dus kon het product in de markt worden gezet. Een reclamecampagne werd ingezet en vele huismoeders probeerden het product in de regio Rotterdam, waar het eerst te koop was, uit. Als vrij snel stonden de kranten vol over het schandaal uit de levensmiddelenindustrie. Diverse mensen, die inderdaad in aanraking waren geweest met het nieuwe Planta product, kregen plotseling rode bultjes en koorts, waarbij in eerste instantie werd gedacht aan een grootschalige uitbarsting van de mazelen. Al vrij snel werd bekend dat de uitslag vooral voorkwam binnen gezinnen die het nieuwe product hadden uitgeprobeerd. Het liep geheel uit de hand want meer dan 100.000 mensen werden ziek, vier personen kwamen te overlijden. Wel ging Unilever over tot compensatie en werd aan 8000 personen in totaal een bedrag van 1,25 miljoen gulden aan schadevergoeding uitgekeerd. Als gevolg van deze problemen werd het merk ‘Planta’ geheel uit de handel genomen, terwijl in bepaalde andere landen het product nog steeds – uiteraard in sterk verbeterde vorm, te koop is. Unilever was zo slim een soortgelijk product zonder problemen in de markt te zetten en zo wordt in een deel van de Nederlandse huishoudens al weer decennia lang in Brio het vlees gebakken. Het programma ‘Andere Tijden’ besteedde jaren geleden aandacht aan de epidemie. Het programma is helaas niet meer te zien maar wel heel veel achtergrond informatie te vinden via de volgende link: https://anderetijden.nl/aflevering/124/De-Planta-affaire In Zweden was een zevenkoppige commissie, aangesteld door de regering, diverse malen bijeen geweest en kwam in de maand juni 1961 met een voorstel bij de directie van de Zweedse staatstelevisie om in de toekomst geen buitenlandse televisieseries meer op de buis te brengen, waarin wreedheid een onderdeel van de inhoud bevatte. Dit om nadelige invloed op de jeugdigen te voorkomen. En als gevolg van dit verzoek werd de televisieserie Bonanza uit het programmaschema geschrapt. Ondertussen meldden de producers van de serie in de VS dat in de serie, in vergelijking met andere soortgelijke programma’s, juist weinig geweld voorkwam. In dezelfde periode begon men binnen de BBC zich op een andere manier te bemoeien met de toenmalige jeugd. Men was begonnen met een televisieserie waarin de kijkers seksueel werden voorgelicht, daarbij zich richtend op de doelgroep tussen 12 en 20 jaar. In Engeland was men al veel verder met de ontwikkeling van de televisie en werd er overdag al uitzendtijd voor dergelijke programma’s ingezet. Zo werden ten bate van het voorlichtende programma brieven gestuurd naar alle hoofden van de scholen met het verzoek op de uitzendingen af te stemmen en na afloop van iedere aflevering de gestelde vragen door deskundigen te laten beantwoorden. In het West Duitse Kiel werd rond die tijd een congres gehouden voor oogartsen en ook daar kwam het onderwerp ‘televisie’ ter sprake. Een van de adviezen, die werden geopperd, was dat bejaarde mensen, die televisie kijken, een speciale bril dienden aan te schaffen en dat voor andere leeftijdsgroepen het zeker ook aan te raden was. De speciale brillen zouden de kwaliteit van het beeld zwakker maken, doch verlichten tevens de omtrek. Bij het niet dragen van deze bril was er bij langdurige inspanning tijdens het televisiekijken sprake van kijken naar een klein beeldoppervlak, waardoor aanhoudende oogproblemen zouden kunnen ontstaan. Ook werd door deskundigen aangevoerd dat het heel onverstandig was de televisie tevens als verlichting van de donkere kamer te laten fungeren en het zeker te adviseren was genoeg andere verlichting te laten schijnen tijdens het televisiekijken. Door extra verlichting van de kamer was het op die manier ook niet nodig dicht bij het televisietoestel te kruipen, wat ook van slechte invloed was op de ontwikkeling van de ogen. Tenslotte viel er te melden dat vlak voor de zomer van 1961 Tom Manders met de leiding van de VARA een contract had ondertekend voor liefst 24 televisieshows, met elk een duur van een uur. De shows zouden over drie winterseizoenen worden verdeeld en op zaterdagavonden worden geprogrammeerd. In november dat jaar werd de eerste uitgezonden en werd de show telkens opgenomen in een zaal met publiek. ‘In elk programma zullen een vast team aan begeleiding, een vaste balletgroep en afwisselende gastartiesten Tom Manders, ofwel Dorus, begeleiden’, meldde het persbericht van de VARA. Hans Knot, 19 oktober 2019
  8. In de 60-er jaren van de vorige eeuw hadden onderzoekers, als het ging om radiobeluistering en meer, veel meer tijd nodig om een onderzoek af te sluiten en de gevonden resultaten openbaar te maken via de publicatie van een rapport vol bevindingen. Vaker niet meer dan twee A4’tjes. Zo dook ik uit het archief een berichtje op uit de maand december 1964 waarin als kop ‘Radio besteedt te weinig aandacht aan eigentijdse muziek’. Het taalgebruik destijds is ook afwijkend met tegenwoordig want het persbericht begon met: ‘De Nederlandse geluidsomroep schiet in ernstige mate tekort wat betreft aandacht voor de hedendaagse muziek.’ Het was een van de conclusies van een in december 1964 verschenen rapport van de Raad voor de Kunst dat de titel ‘symfonische repertoire van de Nederlandse geluidsomroep’ meekreeg. Een commissie ingesteld door voornoemde raad had hiervoor de programma’s onderzocht van de radionetten Hilversum I en Hilversum II in het seizoen 1961-1962. Het bleek dat beide netten gemiddeld 8.02% aan symfonische muziek binnen de totale zendtijd had verzorgd. In het rapport hadden de makers duidelijk gemaakt dat dit percentage aan de zeer lage kant was. Veertig procent van de muziek werd uitgezonden in de vier zomermaanden, die naar een verhouding geringe luisterdichtheid hadden. Opmerkelijk daar de zomer maar uit drie maanden bestond gelijk aan alle andere jaargetijden, maar dat in het rapport over vier zomermaanden werd gesproken. Ook had men geconstateerd dat op de zaterdagen,, als wel de zondagen, het minste aantal minuten aan symfonische muziek werd uitgezonden, terwijl de meeste minuten waren toebedeeld voor uitzending op woensdagen en donderdagen. Van de zendtijd voor symfonische muziek werd 21,37% besteed aan de toen hedendaagse muziek. De samenstellers concludeerden dat dit te weinig was, mede omdat juist de radio de publieke smaak, door gewenning zou kunnen beïnvloeden ten gunste van de eigentijdse muziek. Tenslotte gaf men het advies dat vooral Nederlandse producties op het gebied van symfonische muziek meer aandacht diende te krijgen dan de 2,98% die volgens het onderzoek het geval was. Het plaatsje Aarlanderveen in Zuid Holland, destijds in 1964 goed voor nog geen 1000 inwoners, kwam op 9 november dat jaar volop in het nieuws toen bekend werd dat een avonddienst van de Hervormde Gemeenschap in het dorp werd vervroegd en die avond om zes uur in plaats van zeven uur begon. De reden dat de leden van de Hervormde Gemeente Aarlanderveen eerder ter kerke gingen was om een lachebek uit het dorp, met de naam Linda Groot, die avond haar televisiedebuut ging maken. Op de woensdag ervoor had een camerateam van RTV Noordzee opnamen gemaakt op de boerderij waar Linda werkte. Later die dag had het team zich verplaatst naar de zaal van het dorpscafé, waar een opvoering plaats vond van het stuk ‘De Sukkel’, waarin Linda een rol in speelt. Eerder had zij daarover vertelt in de film ‘Mensen van Morgen’ van Kees Brusse. Toen bekend werd dat de televisie-uitzending die zondagavond zou gaan plaatsvinden is besloten de kerkdienst van de Hervormde Gemeente met een uur te vervroegen, zodat niemand de uitzending hoefde te missen. De Gereformeerde Gemeente paste destijds de kerkdienst tijd niet aan. Dominee W.J. Hoek achtte dit niet wenselijk mede omdat het merendeel van zijn gemeente beslist niet in het bezit was van een verderfelijk kijkkastje. Opmerkelijk was dat de dochter van de hoofdagent van politie in het dorp, het enige gereformeerde meisje dat een rol in ‘de Sukkel’ speelde, wist te vertellen dat er in Aarlanderveen in de dagen voor de uitzending via RTV Noordzee geen enkele REM-antenne meer te koop was. Onderstaande link verwijst naar de prachtige documentaire ‘Mensen van Morgen’. https://www.youtube.com/watch?v=UM8wRawJx4Y Het was toch wat, ik herinner mij een diefstal uit een kledingzaak in Beverwijk waar een huisvader, die totaal geen enkele wetsovertreding op zijn naam had, toch van diefstal werd beticht wegens het stelen van een eenvoudige metalen hanger, waar normaal broeken op hingen in de betreffende winkel. Achteraf gaf hij toe tot de diefstal te zijn gekomen daar zijn familie tot het moment van de diefstal verstoten waren geweest van ontvangst van RTV Noordzee, dat uitzendingen verzorgde vanaf het REM-eiland. Ten ore was gekomen dat deze kledinghanger op een bepaalde manier gedraaid functioneel kon worden gemaakt om de zwart-wit beelden van TV Noordzee de huiskamer binnen te laten komen. Ik vraag me af in hoeverre de mensen, die mijn wekelijkse column lezen, zelf die tijd hebben meegemaakt. Laat eens van je horen via hknot@home.nl. Hans Knot, 12 oktober 2019
  9. Massa’s mensen in de zaal, de een nog uitbundiger dan de andere. Hotels die al maanden van tevoren zijn volgeboekt en geldverslindende shows. Gedurende drie avonden een zogenaamde competitie, waarbij soms de vraag omhoog komt of wel de juiste deelnemers in de finale zitten. Teveel deelnemende landen en grote invloed door middel van het maken van keuzes door het kijkerspubliek. Zie daar in het kort het Eurovisie Songfestival zoals we het pakweg de laatste 20 jaren kennen. En daarbij komt ook nog eens dat vaak niet meer bijblijft welk land er bijvoorbeeld in 2010 heeft gewonnen. Vroeger was dat wel anders en bleven minimaal de drie eerste plaatsen in herinnering en werd je ook bij herhaling duidelijk gemaakt dat het winnende lied voorbij diende te komen in de diverse radioprogramma’s. Bovendien was het aantal deelnemende landen beperkt waardoor er een overzichtelijk geheel werd voorgeschoteld. Lang niet zoveel landen waren bijvoorbeeld in 1960 verbonden binnen de EBU, de Eurovisie, en ook lang niet alle verbonden landen konden een afvaardiging sturen wegens te hoge kosten. Ik vond in mijn archief een al jaren sluimerend persbericht waarin het nodige kenbaar werd gemaakt rond het songfestival in 1960, dat op dinsdag 29 maart werd gehouden in de Royal Festival Hal in Londen. Gewoon op een doordeweekse avond en wel vanaf 10 in de avond tot kwart over 11 Nederlandse tijd. Kenners die alles van de geschiedenis van het Eurovisie Songfestival bijhouden weten direct dat het de vijfde keer in successie was dat het liedjesfestival werd gehouden. Maar Londen als locatie, terwijl in 1959 onze eigen Teddy Scholten met het liedje ‘Een beetje…verliefd is iedereen wel een beetje’ had gewonnen? Aangezien Corrie Brokken in 1957 had gewonnen en Nederland in 1958 de organisatie in handen had, een songfestival dat vanuit Hilversum werd uitgezonden met Hannie Lips als presentatrice, werd anders besloten. De NTS, de overkoepelende organisatie van de omroepen in Nederland destijds, vond het een probleem op een zo korte termijn de wedstrijd twee keer te organiseren en bood de Engelsen de kans de organisatie over te nemen. De Britten behaalden in 1959 namelijk de tweede plaats met de song ‘Sing Little Birdie’ uitgevoerd door Pearl Carr en Teddy Johnson. Een aanbod dat graag werd aangenomen en zo werd dus Londen even voor een dag de hoofdstad van de Eurovisie via het Songfestival. De presentatie van de avond was niet, zoals de laatste jaren ‘gemaakt leuk’, maar zoals een festival betaamt met een presentatrice die niet probeerde het middelpunt te zijn. Het betrof Katie Boyle, die in de maand mei 1926 het levenslicht zag en in maart 2018 op 91-jarige leeftijd overleed. Boyle werd geboren in Florence en kwam op 20-jarige leeftijd naar Engeland. Katie was niet alleen model en speelde rollen in een aantal speelfilm maar trad ook in dienst als omroepster bij de BBC. Op die manier presenteerde zij in 1960, 1963, 1968 en 1974 het Eurovisiesongfestival. Zij werd in 1960 geregisseerd door Harry Carlisle. In 1960 deden 13 landen mee aan de Eurovisiesongfestival, drie meer dan in het daaraan voorafgaande jaar. Even een opsomming: België, Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland. Waarbij duidelijk werd dat Eurovisie vooral landen betrof in het westen. Voormalige Oostbloklanden zouden zich pas veel later aansluiten. De volgorde, waarin de liedjes van de deelnemende landen werden gezongen, werd een dag voor de uitzending via loting bepaald. Veel van de deelnemende landen vaardigden niet alleen de vocale artiest af maar ook een gastdirigent. Die landen die niet een eigen dirigent mee hadden kregen Eric Robinson toegewezen, die namens het gastland het orkest leidde. Gelijk aan de recentere Eurovisiefestivals was er ook een commentaarpost ingericht voor de Nederlandse Televisie Stichting, een plek die werd ingenomen door Piet te Nuyl jr. Maar naast de deelname van Rudi Carrell, die ‘Wat een geluk’ zong, waren de componisten Willy van Hemert en Dick Schallies aanwezig. Het orkest stond onder leiding van Dolf van der Linden. Het was voor de toen 25-jarige Rudi Carrell de eerste keer dat hij naar Engeland afreisde en tevens de eerste keer dat hij zich liet verplaatsen met behulp van een vliegtuig. Het Nederlandse team werd compleet door de aanwezigheid van Teddy Scholten, die – als winnares van het festival in 1959 – was genodigd de prijs aan de winnaar in Londen uit te reiken. Het bleek het lied ‘Tom Pillibi’, gecomponeerd door André Popp, met teksten van Pierre Cour, te zijn dat als winnend lied werd gezonden door Jacqueline Boyer. De puntenverdeling was destijds ook totaal anders. Het publiek had geen mogelijkheden mee te stemmen. De beperkte technische ontwikkelingen op communicatiegebied maakten dat ook onmogelijk. De jury’s van elk land mochten 10 punten uitdelen. De zangeres uit Frankrijk haalde 32 punten binnen, terwijl de zanger Bryan Johnson uit Engeland met de song ‘Looking high, high, high’ de tweede plek behaalde. En Rudi Carrell? Hij kreeg slechts 2 punten en wel van de jury van buurland België als ook die van Italië. Alleen hield hij de vertegenwoordiger uit Luxemburg achter zich. Die hadden zanger en radiopresentator Camillo Felgen afgevaardigd die slechts één punt kreeg toegewezen. Hans Knot, 5 oktober 2019 Afbeelding: Finale Nationaal Songfestival 1960 in Hilversum, winnaar Rudy Carrell met Annie Palmen (foto Nationaal Archief / Wikipedia)
  10. Recentelijk verscheen het boek over Rob Out, een biografie geschreven door Bert van der Veer. Een boek dat in mijn gedachten te fragmentarisch is geschreven en ontbreekt aan verbindende teksten tussen de diverse items die voorbijkomen, waardoor het onprettig lezen is. Wel wordt het geheugen inzake de tal van activiteiten waarbij Rob Out was betrokken, flink opgefrist. Al lezende dacht ik toch een aspect niet terug te vinden in het boek, dat ik graag in deze historische column met jullie wens te delen. Van zondag 14 tot zaterdag 20 maart 1965, namen de Beatles in het Oostenrijkse plaatsje Obertauern een aantal scenes op voor hun tweede speelfilm, die de titel Help! meekreeg. Van die locatie stammen onder meer de bekende ski-sessies. De zondag daarop werd er nog gefilmd in Radstadt en Salzburg. Bij een deel van die Oostenrijkse sessies was een bijzondere gast aanwezig: de Nederlandse deejay, de latere programmadirecteur en meer, Rob Out. Maar hoe belandde Out bij de opnamesessie? Een dag lang non-stop Beatles-muziek. Op 29 februari 1972 maakten de deejays van Radio Veronica op de 192 meter wereldnieuws door een dag lang non-stop Beatles-platen te draaien. Wie zich die schrikkeldag nog kan herinneren, weet dat Rob Out een echte Beatles-fan was. En, het was vooral deze deejay, die vol enthousiasme de hitsingles en LP-tracks presenteerde, afgewisseld met interviews en herinneringen. Rob Out was in die tijd al programmaleider bij Radio Veronica, de populaire zeezender voor de Nederlandse kust, en mede dankzij zijn inzet werd de Veronica Omroep Organisatie later de grootste omroep van Nederland. Afbeelding: "Paul McCartney zette Robert ook weer op de trein naar Nederland," aldus het bijschrift bij deze foto in de Wereldkroniek van 1965. De opnames van Help! Eén herinnering vertelde Rob Out, tenminste zover ik me herinner, echter niet tijdens die bewuste marathonuitzending in 1972. Tijdens de opnamen van een deel van Richard Lester's tweede speelfilm rond de Beatles, die de titel Help! meekreeg, in Oostenrijk, maakte hij een aantal dagen de Beatles van dichtbij mee. Daar kregen we toen dus niets over te horen. In mijn archief heb ik echter, mede dankzij de inbreng van Bert Bossink, een groot aantal knipsels dat betrekking heeft op het leven van de Fab Four, en recentelijk ontdekte ik daartussen een stukje uit de rubriek ‘Alleen voor Tieners’ van de pen van Skip Voogd. Daarin legde hij de connectie tussen John, Paul, George en Ringo aan de ene en Rob Out aan de andere kant bloot. Skip Voogd sprak destijds met Rob Out, zo'n week na diens terugkeer van een verblijf in Oostenrijk, waar hij vijf dagen met de Beatles doorbracht. Op dat moment waren de vier uit Liverpool druk bezig met de opnamen van de film Help!, die in augustus 1965 in de bioscopen zou komen. Robert Out, zoals Voogd hem volhardend bleef noemen, was een van de weinigen die achter de schermen mocht meegluren. Voogd vroeg dan ook hoe Robert in contact was gekomen met de Beatles, waarop Out met het volgende antwoord op de proppen kwam: "Ik weet het echt niet. Wel ben ik altijd een enorme Beatles-fan geweest en mijn vriendschap met John Lennon dateert uit de tijd waarin The Beatles nog volledig onbekend waren en speelden in ‘The Star Club’ in Hamburg. Ik was daar met vakantie en mijn vriendinnetje vertelde me dat er Engelse jongens waren, die zo enorm goed speelden en zongen." De eerste contacten van Out met de Beatles stammen kortom uit de vroege jaren zestig, de tijd dat de Beatles optraden in Hamburg onder de namen als ‘The Moondogs’ of de ‘Silver Beatles’. Er bestaan zelfs nog opnames uit die tijd, waaronder de single die in 1961 werd geproduceerd door Bert Kaempfert: "My Bonnie" / "The Saints" (Polydor NH 24-673). Daarop is de groep te horen als ‘The Beat Brothers’, die de begeleiding verzorgden van zanger Tony Sheridan. Op 5 januari 1962 werd de single ook in Engeland uitgebracht, ditmaal met de correcte vermelding van de groepsnaam (Polydor NH 66-833). Van die sessies werden in 1964 nog enkele andere singles alsmede een album uitgebracht en nog steeds zijn er tegenwoordig CD's en LP's in omloop met dit materiaal, die ten onrechte verkocht worden onder de naam ‘Beatles’ want er staan doorgaans maar een paar songs van de groep zelf op. De Beatles speelden overigens — en onder hun eigen groepsnaam — in de ‘Star Club’ van 13 april tot 31 mei 1962, en ook nog voor enkele weken in november en december van hetzelfde jaar. Dat plaatst de eerste ontmoeting van Out met de Beatles dus in 1962, en waarschijnlijk in het betreffende voorjaar. Het was John Lennon zelf, die toen na het optreden op Out afstapte en een gesprek aanknoopte. Lennon gaf grif toe, dat hij het enorm leuk vond ook iemand van een andere nationaliteit tegen te komen dan alleen maar dié Duitsers. Een van de opmerkingen die Lennon plaatste, wist Out zich achteraf goed te herinneren. Lennon merkte op: "Robert, geld om je iets aan te bieden heb ik niet, want we werken hier bijna voor niets. Maar als ik ooit nog eens beroemd wordt, dan klop je maar bij ons aan!" Wel, dat bleek niet nodig. Niet alleen Lennon, maar ook Out zelf boerde bijzonder goed. Rob Out's eerste contacten met de Beatles vonden dus al plaats in het prille begin van de jaren zestig. De groep maakte vanaf die tijd langzaam maar zeker furore in Engeland, maar het zou nog bijna twee jaar duren voordat met de rest van de wereld ook Nederland werd wakker geschud door het geluid uit Liverpool. Het beeld is bekend: jankende, hysterische meiden en ouders die verboden dat je net zo gekapt ging als de vier die alle kranten veroverden en niet weg waren te slaan uit de hitlijsten. Iedereen had het over John, Paul, George en Ringo en de Britse zeezenders hielpen daar driftig aan mee door hun platen veelvuldig te draaien. En toen ze eenmaal niet meer van de radio waren weg te slaan, had Rob Out inmiddels Radio Noordzee — REM-eiland — verwisseld om terug te keren voor een plaats achter de microfoon van Radio Veronica, waar hij onder meer het programma ‘Muziek Express’ presenteerde en dus ook de Beatles voorbij liet komen. Mede door het succes van de Beatles kwamen de herinneringen bij Rob Out weer boven en hij besloot — wie weet op briefpapier van Radio Veronica — een brief te schrijven naar de Beatles. Dit met de gedachte waarschijnlijk nooit meer antwoord te krijgen. Maar het viel anders uit. Spoedig had hij een brief van John Lennon terug, waarin deze Rob Out uitnodigde om eens langs te komen in Liverpool. Vrij snel constateerde Out daar dat de vier doodgewone jongens waren gebleven en dat de roem hen niet boven het hoofd was gestegen. Out later over de periode na die ontmoeting in Liverpool: "Ik ben ze na die ontmoeting in Engeland blijven schrijven en de antwoorden bleven komen, hoewel het soms wel heel lang duurde voordat er een brief terugkwam." Niet alleen John Lennon bleef overigens contact houden met Rob Out. Ook Paul McCartney wist hem te vinden. Het eerder gememoreerde bezoek aan Oostenrijk dankte Rob Out aan een uitnodiging van zijn kant. Andermaal Rob Out: "Hij haalde me van het station en loodste met door de enorme haag van schreeuwende teenagers en Paul vertelde me ook dat hij me niet was vergeten van de ontmoetingen in Hamburg en Liverpool. Over de film vertelde Paul me ook dat ze in het begin van de opnamen niet wisten waar ze aan toe waren. Ze wisten niets van skiën, maar moesten het van de regisseur leren om de film zo echt mogelijk te laten overkomen. Inmiddels skiën ze alsof ze het hun hele leven niet anders hebben gedaan." Rob Out, die na zijn bezoek aan Oostenrijk weer rustig aan de slag ging als part-time-presentator bij Radio Veronica en tevens zijn platenproductiemaatschappij ‘Stibbe-Basart’, runde in Amsterdam, vertelde in het interview met Skip Voogd, dat hij aan John Lennon had beloofd aan niemand iets te vertellen over de inhoud van de film, waarvan hij een gedeelte van de opnamen van zo dichtbij meemaakte. Wel had Lennon hem verteld dat de titelsong van de film nog pakkender zou zijn dan ‘Ticket To Ride’, de song die ten tijde van de opnamen wereldwijd overal hoog in de hitlijsten stond genoteerd. Wel had John Lennon, als cadeau voor de geheimhouding, aan Rob Out beloofd een proefpersing van Help! naar Hilversum te sturen, zodat alleen hij hem als een wereldprimeur zou kunnen draaien op Radio Veronica. Met hoeveel andere deejays John Lennon eenzelfde afspraak heeft gemaakt, is nooit duidelijk geworden. Rob Out lijkt zijn afspraak wel heel letterlijk te hebben genomen. Afgezien van zijn gesprek met Skip Voogd, heeft hij verder nooit in het openbaar iets over zijn Oostenrijkse bezoek aan de Beatles in 1965 verteld. Hans Knot, 28 september 2019
  11. Recentelijk luisterde is weer eens naar een van de prachtige programma’s uit New York van de ochtendburgermeester, Harry Harrison. Reden om nog eens een eerdere ode aan hem via de nostalgische column onder de aandacht te brengen. Op 19 maart 2003 nam Harry Harrison, na een periode van liefst 44 jaar radio-maken in de "Big Apple", afscheid van zijn omvangrijke luisterpubliek in New York en omgeving. Een deel van zijn laatste programma werd uitgezonden vanuit het Museum of Television and Radio in New York, en terecht. Harrison, die bij alle grote stations heeft gewerkt is een van de weinige toppers binnen de New Yorkse radiowereld die blijvend in de miljoenenstad heeft gewerkt. WMCA, WABC en WCBS — om maar drie stations te noemen — maakten van zijn talent gebruik. Na een periode van maar liefst 44 jaar radio-maken in de "Big Apple" nam Harry Harrison, die bij zijn radio-aanhang ook bekend stond als de "Morning Mayor", afscheid van zijn trouwe publiek. Harrison is altijd nauw met die stad verbonden geweest, al begon hij zijn radioloopbaan eigenlijk in zijn geboortestad Chicago, in de staat Illinois. Op 14-jarige leeftijd was hij gekluisterd aan bed als gevolg van een reumatische ziekte. Uur in, uur uit lag hij naar de radio te luisteren hetgeen het begin werd van zijn grote liefde voor deze vorm van amusement. Hij at als het ware alle teksten, die hij via zijn ontvanger hoorde, op. Toen hij eenmaal was opgeknapt, was hij verknocht aan de radio en benaderde hij de leiding van het station WJJD. Daar adviseerden ze hem om te solliciteren bij een educatief radiostation WBEZ, waarbij de contacten werden gelegd door de directeur van WJJD. Als we het over hebben over het Chicago van de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw en het onderwerp radio, dan valt meteen de naam van WCFL. Een topstation waar Harry vervolgens aan het werk kon om nu en dan tijdens de zomervakantie als invaller programma's te presenteren. Die zomer duurde wel erg lang, want liefst acht maanden was Harry Harrison via WCFL bijna iedere dag wel te beluisteren. Daarna deed hij ook meteen televisiewerk en was hij programmadirecteur van een radiostation in Peoria (WPEO). Tevens was hij presentator van het ochtendprogramma, dat nummer één in de regionale luisterlijst was. Maar dan hebben we het al over het jaar 1958 en daar noemde hij zich al de ochtendburgemeester op de radio. Binnen zes maanden na zijn komst was het station al gestegen naar de eerste positie op de lijst van luistercijfers. Zijn grote, eerste stap maakte Harrison eind 1959 toen hij naar WMCA in New York vertrok. Hij was daarvoor door de leiding van dat station benaderd, aangezien ze nogal onder de indruk waren van zijn enorme successen bij WPEO. Bij WMCA presenteerde Harrison eerst een middagprogramma met daarin onder meer het item ‘Housewife Hall of Fame’. Op een slimme wijze werd iedere dag een vrouw, die op de een of andere manier iets bijzonders had gedaan, bijgeschreven in de Hall of Fame. Dat was natuurlijk een prachtige manier om de vrouwelijke luisteraars van New York naar WMCA te trekken, want er werd breeduit gepraat over de "onderscheiding". Niet de man, maar de vrouw kreeg de nodige aandacht in de beginjaren zestig van de vorige eeuw. Daarna werd Harrison natuurlijk onderdeel van The Good Guys, zoals WMCA het team van presentatoren op een bepaald moment ging noemen, hetgeen ook veelvuldig via jingles in de programma's was terug te horen op het station. In 1965 en 1966 verzorgde Harry Harrison twee keer een live-verslag vanaf het podium van de stadions, waar de Beatles in Amerika optraden. Net zoals een aantal andere deejays, die de erenaam van "Vijfde Beatle" claimde, kreeg ook Harry Harrison deze omschrijving toebemeten in de promospots. Over zijn tijd bij WMCA heeft Harrison zo zijn eigen herinneringen: "We hadden prachtige promoties op het station. We lieten allerlei plannetjes los op de luisteraars om ze zo veel mogelijk bij het station te betrekken. Maar ze moesten er wel wat voor doen. Verplaats je dan maar even naar het midden van de jaren zestig. We nodigden de luisteraars bijvoorbeeld gewoon uit voor een picknick, maar ze moesten er zelf achter komen waar we die zouden houden. In de programma's gaven we ze allerlei hints, waardoor ze er wel achter kwamen. Gevolg was dat er duizenden mensen op die happening afkwamen en er politie moest worden ingezet om de orde te handhaven. Bij WMCA werkte Harrison samen met andere toppers als B. Mitchell Reed, Johnny Dark, Dan Ingram en Jack Spector. En dat allemaal via een krachtige 50.000 Watts of Music Power en onder de bezielende leiding van programmadirecteur Joe O'Brien. Harrison zou het tot 1968 bij WMCA uithouden om vervolgens deel uit te gaan maken van een ander zeer prestigieus samengesteld deejayteam. WABC werd zijn werkgever, waarbij hij de ontbijtshow kreeg toegewezen. Het was programmaleider Rick Slar die met een probleem zat toen zijn ochtend-jock Herb Oscar Anderson — andermaal een grote naam in de Amerikaanse deejay-wereld — besloot op te stappen om elders emplooi te vinden. Daarop werd Harry Harrison ingehuurd om de lege plek in te nemen. Andermaal waren het de vrouwelijke luisteraars die vol bewondering zijn grappen en grollen aanhoorden en veelvuldig het station belden om toch maar even persoonlijk de stem van hun Harry te kunnen horen, zonder dat ze door hem via de radio tegelijk met al die andere vrouwen werden aangesproken. Een vast item in het programma was op de doordeweekse dagen Zipper Routine. Rond die tijd stemden liefst vier miljoen luisteraars dagelijks op zijn programma af. Tot eind 1979 bleef Harrison bij WABC. Het waren vooral de eindjaren zestig en de beginjaren zeventig van de vorige eeuw waarin WABC het topstation van New York was. Als je in die tijd in Nederland sprak over Top 40 Radio, vielen er doorgaans maar een paar namen van Amerikaanse radiostations, te weten KFRC, KLIF en WABC. In dat rijtje was WABC niet de minste en daar was Harrison deels verantwoordelijk voor. Hij wist in zijn programma de juiste balans te brengen, waarbij de jeugd aan het station werd gebonden als hét Top 40 station uit de regio. Tegelijkertijd werd niet alleen de jeugd maar vervolgens ook de ouders door zijn krachtige presentatie getrokken om vrijwel dagelijks af te stemmen op zijn show. Maar in de eindjaren zeventig veranderden de tijden en waren het vooral moeilijke jaren voor de stations die hun uitzendingen via de middengolf verzorgden. Tot verdriet van zijn luisteraars was in november 1979 zijn laatste show via WABC te horen. Vier maanden bleef het vervolgens stil rond de radioburgemeester van New York. One-liners. "Iedere dag zal als een dierbaar cadeau moeten worden uitgepakt," was de mening van Harry Harrison en derhalve was het vanaf maart 1980 vijf dagen per week plezier op WCBS-FM, waar hij een nieuwe werkgever vond. Samen met zijn speciaal samengesteld team was hij op maandagmorgen al om vijf uur te beluisteren en de andere dagen, tot en met vrijdag, vanaf half zes. In de show, die duurde tot negen uur in de ochtend, was er alleen maar aandacht voor oude muziek, aangevuld met nieuws, sport, het weerbericht en verkeersinformatie en bovenal ochtendglorie. Voor vele gezinnen maakte hij gewoon onderdeel uit van het ochtendritueel en zat hij als het ware aan bij de ontbijttafel. Ik noemde al even de slogan van "de dag uitpakken," maar Harrison had, zoals meerdere van zijn collega's uit die tijd, vaste one-liners die regelmatig in zijn programma's terugkeerden en die gezien moeten worden als een onderdeel van zijn persoonlijkheid. Bij een klein aantal deejays is dit hoogst irritant, bij de meeste is het niet storend en bij sommigen is het gewoon leuk. Harrison viel duidelijk in die laatste categorie. Andere slogans die hij gebruikte, waren bijvoorbeeld: "Stay well, stay happy, stay right here," dat bijna klonk als een verplichting om maar te blijven luisteren. Verder verleidde hij zijn luisteraars regelmatig met de zinsnede: "Harry Harrison wishing you the best... that's exactly what you deserve." Een gemiddelde inwoner van New York. Maar, wat is nu eigenlijk de reden dat de luisteraars al die decennia zo intens naar Harry Harrison hebben geluisterd? Zelf zei hij daar jaren geleden iets over in een interview: "Ik ben waarschijnlijk gewoon mezelf gebleven en ben gelijk aan de luisteraars gewoon een gemiddelde inwoner van New York. Ik breng een deel van mijn tijd door met mijn lieve familie. Ik ga naar de bioscoop, lees boeken en doe alles wat de gemiddelde mens ook doet. Bovendien praat ik daar ook vrijuit over in mijn programma's." Dat klopt waarschijnlijk wel: zijn gerichtheid op het doorsnee gezin was Harrison's grote kracht. Hij kon daarbij putten uit zijn eigen ervaringen. Morning Mayor Harrison heeft namelijk ook een eigen gezin, bestaande uit vrouw Pretty Patti en vier kinderen. Zijn grote hobby is het houden van honden, waarvan hij vele exemplaren bezit. Zo "gemiddeld" was Harrison echter ook niet, dat zijn bijdrage aan de wereld van de radio door de autoriteiten werd genegeerd. In 1997 besloot Rudolph Guilani, toen de echte burgemeester van New York, hem uit te nodigen en op 25 april kreeg Harrison, die in zijn loopbaan tal van onderscheidingen heeft ontvangen en bovendien duizenden artiesten voorbij heeft zien komen en persoonlijk heeft ontmoet, tot zijn grote genoegen de mooiste onderscheiding die hij ooit had kunnen ontvangen. De burgemeester riep namelijk vanaf dat moment de legendarische dag 25 april uit tot een jaarlijkse happening: The Harry Harrison Day. Harry Harrison is kortom wel gestopt, maar miljoenen luisteraars zullen een zeer goede herinnering overhouden aan deze uitstekende "Good Guy". Hans Knot, 14 september 2019
  12. Nostalgisch terugblikken is vaak op het gebied van radio, amusement en soms ook op het gebied van de televisie. Als we heden ten dage het grote televisiescherm aanzetten en de afstandsbediening pakken dan is er een enorm scala aan aanbod waarbij het voor velen verslavend kan zijn. In mijn geval is het tegenovergestelde het geval want verder dan eenmaal per dag het Journaal en eenmaal per week een sportprogramma, om mijn eigen favoriete voetbalploeg te kunnen zien, kom ik niet. Nee dan was het in 1959 wel heel anders. Een televisie was een klein met hout omsloten beeldscherm waarbij je het vaak rollende beeld met regelmaat met een knopje, dat zich aan de achterkant van het toestel bevond, diende bij te stellen. Het aanbod aan programma’s was gering wat ook voor het aantal uitzenduren gold. Probeer het maar eens uit te leggen aan de jeugdigen van nu. Die hebben vooral aandacht voor alles wat hun private telefoonschermpje brengt; een geval van superbe overdaad. Zin in nog meer gegevens hoe het in 1959, let wel zestig jaar geleden, in televisieland was? De NTS, Nederlandse Televisie Stichting, was eindverantwoordelijke voor wat er op de Nederlandse televisie werd gebracht en dat via slechts één televisienet. In een jaarverslag werd het wel duidelijk dat men binnen de NTS tevreden was over de snelle ontwikkeling van het medium. Het aantal televisietoestellen dat in 1959 was aangeschaft was ruim 200.000, waarmee er op dat moment in Nederland 584.760 gezinnen een toestel hadden. Er was totaal geen sprake van meer dan één toestel in een gezin. Het was een kwestie van een televisietoestel op een tafeltje of kast in de hoek van de kamer, gordijnen dicht en een klein lampje aan en kijken maar naar de zwart wit beelden die de huiskamer binnen kwamen. Waarschuwingen dat die manier van kijken slecht voor de ogen waren werden in de wind geslagen. Het verzorgen van de televisieprogramma’s, met inbegrip van personeelskosten van de NTS en de omroepen, de investeringen aan apparatuur en uitzendkosten lagen dat jaar rond de 15 miljoen gulden. Per week was het mogelijk in Nederland gemiddeld 18 uur naar de televisie te kijken, meer programma-uren waren er gewoon niet. Een rekensommetje leverde het gegeven dat een gemiddeld programma-uur rond de 16.000 gulden kostte. Uiteraard was het ene programma veel goedkoper dan de andere. In het jaar 1959 breidde het personeel van de NTS uit van 240 naar 313 personen. Van de totale zendtijd werd 42,5% door de NTS verzorgd, de omroepverenigingen brachten tezamen 55,5% en de kerkgenootschappen brachten 1,5% aan programma’s. Trouwens werd er in dat jaar ook goed gebruik gemaakt van de mogelijke Eurovisie-uitwisselingen. 22% van de NTS zendtijd behoorde tot de categorie van Eurovisie uitwisselingen. De directie van de NTS zag ook al in de toekomst want men kondigde aan er naar te streven in 1963 een aanbod van 30 programma-uren per week te kunnen brengen. Ook wilde men op korte termijn bouwplannen maken voor een modern studiocomplex in Hilversum zodat de noodvoorzieningen in Bussum konden worden verlaten. Inmiddels was al een oud fabrieksgebouw in Hilversum als eerste omroepgebouw in gebruik genomen. Speciaal voor decorbouw en rekwisietenopslag was het heringericht en stonden er onder meer 14 grote houtbewerkingsmachines. En toch stond de radio aan in vele gezinnen op Oudejaarsavond en werd de programmering van die avond via Hilversum 1 en Hilversum 2 beluisterd dat werd aangeleverd door de AVRO, KRO, NCRV en de VARA. En omdat het Oudejaarsavond was en Nieuwjaarsnacht volgde werd er zelfs tot 2 uur in de nacht uitgezonden, iets wat uniek was voor die tijd. Maar ik kan mijzelf niet herinneren of ik, tien jaar destijds, de betreffende jaarwisseling bewust heb meegemaakt. Hans Knot, 1 juni 2019
  13. Hij noemde zich de meest excentrieke persoonlijkheid van de flower power scene. Na het overlijden van John Lennon in 1980 presteerde hij zich als de enige scherp denkende overgebleven persoon ter wereld. Dan hebben we het over een excentriekeling - Mario Welsman uit Amsterdam - destijds officieel kapper van beroep. Sommige van de radiofans kennen hem nog van een incident op 17 september 1970, waarbij aangenomen dient te worden dat hij weer eens in de publiciteit wenste te komen. Maar ook kom ik terug op een geval van paleisvredebreuk gepleegd door dezelfde Mario Welsman. Dan heb ik het eerst over een incident op de Noordzee een paar mijl uit de kust van Scheveningen. Een paar week eerder was men aan boord van de MEBO II al verrast geweest door een vermeende poging tot kaping van het zendschip van RNI. Dit door nachtclub eigenaar Kees Manders en zijn kompaan Ir. Heerema. Een alom bekend incident onder de fans van RNI. Maar op die 17de september 1970, was er andermaal een panieksituatie te horen in de uitzendingen toen deejays de luisteraars vertelden dat een boot, die hen onbekend was, lag afgemeerd naast de MEBO II. Ook werd er weer over een vermeende kaping gesproken. Na enige minuten stopte de berichtgeving en kwam men er ook niet meer op terug in het programma. Andermaal enkele dagen later, op 23 september, werd er in een nieuwsuitzending gewag gemaakt dat er opnieuw problemen waren op het zendschip. De toen 29-jarige kapper Mario Welsman uit Amsterdam had in de haven van Scheveningen een boot gehuurd met opdracht naar het RNI zendschip te varen. Toen het schip bij de MEBO II was aangekomen vroeg Welsman toestemming aan boord te komen, hetgeen hem in eerste instantie werd geweigerd. Dit aanhorende zei hij tegen de kapitein zich daar niets van aan te trekken en dat hij het schip zou gaan kapen. Toen hij dan ook aan boord klom, werd hij onmiddellijk door bemanningsleden vastgegrepen en opgesloten in één van de hutten. Eerst vertelde de bemanning Mario dat, wanneer hij niet met de gehuurde tender zou teruggaan, hij overboord zou worden gegooid. De kapitein van de gehuurde boot, de Scheveningen 18, had echter geen zin de kapper mee terug te nemen en dus werd besloten Erwin Meister en Edwin Bollier, de eigenaren van het zendschip, die verbleven in het Grand Hotel in Scheveningen, te informeren. Meister zelf beloofde zo spoedig mogelijk naar het zendschip te komen om de overspannen man terug te brengen aan land. Meister belde met Tom van der Linden (die kortelings invalkapitein was geweest) en vroeg hem, tegen betaling, hem met zijn eigen schip naar de MEBO II te brengen. Tom, die later berucht zou worden als één van de duikers die op 15 mei 1971 een aanslag pleegde aan boord van het zendschip, ging akkoord met zijn eigen schip, de MV Redder, uit te varen met Meister. Na aankomst bij het zendschip werd er vervolgens in de hut van de kapitein een gesprek gevoerd met Mario Welsman. De kapper vertelde Meister dat hij geruchten had gehoord dat RNI spoedig haar uitzendingen zou stoppen. Ook vertelde hij dat hij zijn poging tot kaping had ondernomen omdat de MEBO II zo’n mooi schip was en dat hij het niet kon uitstaan dat het station uit de ether zou gaan verdwijnen. Het zou een slechte zaak zijn voor de miljoenen luisteraars en ook wilde hij niet dat de bemanning en deejays zonder werk zouden komen te zitten. Toen daar niet serieus genoeg door Meister op werd gereageerd deed Mario Welsman er nog een schepje bovenop. Hij vertelde Meister dat hij gemachtigd was te onderhandelen tot aankoop van het zendschip in naam van Freddy Heineken, multimiljonair en destijds eigenaar van de Heineken Brouwerijen. Ook toen vertelde Meister hem dat hij niet onder de indruk was van Mario’s verhalen en gaf hij opdracht aan de bemanning Welsman maar weer op te sluiten en te bewaken en hem bij de eerste de beste gelegenheid van boord te laten halen. Waarschijnlijk had Welsman op voorhand een verslaggever van de Telegraaf ingeseind en geïnformeerd over zijn plannen. Niet veel later werd namelijk door een journalist van die krant de MS Dolfijn gehuurd van de firma Vrolijk in Scheveningen om te kijken hoe de situatie er voor zou staan bij de MEBO II. Aangekomen bij het zendschip werd overeengekomen dat de journalist en dus ook de schipper van de Dolfijn de Amsterdammer mee terug zouden nemen. Onderweg naar de haven vertelde Mario aan de journalist, dat hij graag wat langer op de MEBO II was gebleven maar dat de deejays niet op hem gesteld waren. Een paar jaar eerder had Mario Welsman al de nodige publiciteit getrokken door een keten van zeer exclusieve kapperszaken op te starten in diverse steden in het westen van het land. De start van dit keten werd met een groots georganiseerd feest gevierd, waarbij vele belangrijke en beroemde Nederlanders werden uitgenodigd. Hij was het middelpunt van een gouden party en beweerde hofkapper te zijn van Koningin Elisabeth en dat vele groten der aarde, waaronder Farah Dibah, tot zijn cliënteel behoorden. Binnen een paar jaar waren alle tien winkels al weer gesloten. Maar Mario Welsman, de kapper met de gouden handjes, zoals hij zichzelf altijd graag noemde, was eerder in 1970 al uitgebreid in de publiciteit geweest toen eind januari een rechtszaak tegen hem werd gehouden in Amsterdam. Waarschijnlijk onder invloed van gedroogd gras en meer had hij in oktober 1969 besloten, omdat hij toch van mening was dat hij vanuit de hemel was gezonden om Amsterdam en ons land te verrijken, het Paleis op de Dam gewapend met goudverf, een schaar en meer te beklimmen. De dagbladpers meldde hierover dat in feite zijn tocht, die hem in de nacht van 10 oktober 1969 naar het Amsterdamse Paleis op de Dam voerde, wel halsbrekend, maar toch minder hemels was dan hij zich had voorgesteld. ‘Op weg via de gevel naar de machtige Atlas ­­- die met zijn door de tand des tijds wat aangevreten wereldbol boven op het dak van het paleis troont - kwam hij niet met zijn spuitbus vol goudverf en met zijn zakschaartje terecht bij de machtige torser, maar op de vensterbank van de slaapkamer van de dienstwoning van de heer A. Perfors, opzichter en administrateur van het Paleis op de Dam.’ Achteraf bleek dat Mario Welsman pech had gehad, want de heer Perfors werd wakker, greep de kapper bij de benen en vervolgens kwamen beiden in een stevige vechtpartij — en dat was toch een heel wat minder ludiek en hemels gebeuren dan wat Mario van plan was: namelijk Atlas en zijn wereldbol met goud gaan bespuiten. Het resultaat van de vechtpartij was dat de beheerder Perfors niet alleen goudverf in zijn gezicht kreeg gespoten door Welsman, maar ook een scheur in zijn pink die veel bloed opleverde maar ook een bezoekje aan het nabijgelegen ziekenhuis, waar een hechting plaats vond. Er was meer schade want ook een raam begaf het en al het rumoer rond de beklimming, Mario had zijn vaste fanclub meegenomen, zorgde er ook voor de politie snel ter plaatse was vanuit het Bureau Warmoesstraat. In die tijd werden dergelijke acties snel door de rechtbank behandeld, en werd het niet een kwestie van meer dan een jaar wachten tot een behandeling zou plaats vinden, zoals nu een halve eeuw later. Eind november 1969, dus een maand na het voorval, kreeg Mario Welsman een boete opgelegd van 75 gulden en werd hij bij verstek veroordeeld tot betaling. Op 27 januari 1970 kwam de huisvredebreuk andermaal aan de orde. Niet dat Mario er die keer wel was: maar zijn verklaringen, afgelegd bij arrestatie en verhoor, lagen keurig uitgetypt ter tafel van de politierechter mr. Ten Kroode. Daaruit bleek, dat Mario Welsman de Atlas en zijn wereldbol had willen bespuiten om op deze manier een gouden net over Amsterdam te leggen, een soort kosmisch net waarmee je zelfs het weer zou kunnen veranderen en waarmee je in ieder geval alle mensen tot goede gedachten kon brengen. En goud spuiten was volgens Mario daartoe het aangewezen middel. Hij wilde helemaal niet inklimmen bij meneer Perfors — dat ging gewoon vanzelf. Hij wilde de man ook helemaal geen pijn doen: dat ging ook vanzelf — of misschien wel door het breken van het raam, dat wist Mario helaas niet meer precies. Uit de verslagen bleek ook dat hij de toenmalige Koningin Juliana niets wenste aan te doen, mede getuige de uiting dat hij trouw was aan de Kroon. Hij had er nog aan toegevoegd dat hij bereid was dat hij alle geleden financiële schade wenste te vergoeden. In de nadagen van de Flower Power toonde de voornoemde Officier van Justitie zich door deze lieve woorden geroerd. Het idee van algehele bevolkingsverbetering vond hij prachtig maar om dit door middel van huisvredebreuk te doen, achtte hij een minder gelukkige zaak. Hij eiste dan ook 150 gulden boete subsidiair vijftien dagen gevangenis. De rechter betoonde zich nog milder en zo werd Mario bij verstek veroordeeld tot 100 gulden subsidiair tien dagen. Het schaartje en de spuitbus werden verbeurd verklaard en de vergoeding kon hij nog betalen daar het faillissement van zijn kapperszaken pas later inging. Hans Knot, 31 augustus 2019
  14. Luisteren naar Radio Noordzee was de naam van een report opgemaakt door het Nederlands Centrum voor Marketing Analyses NV, gevestigd aan het Sarphatipark in Amsterdam. Het werd opgesteld ten behoeve van de N.V. Exploitatie Maatschappij Radio Noordzee Internationaal i.o. te Hilversum. I.O. stond voor In Oprichting. Het rapport kwam uit op 21 juli 1971. Voornoemde organisatie had voorheen al twee keer eerder een onderzoek uitgevoerd naar het luisterbereik in Nederland van Radio Veronica, Radio Luxembourg, Hilversum III en Radio Noordzee. Als maatstaf voor het luisterbereik was gehanteerd het aantal personen van 15 jaar en ouder dat in zeven dagen voorafgaand aan de enquêtedatum naar de betreffende stations hadden geluisterd. De enquêteperiode van het eerste onderzoek liep van 13 t/m 19 maart 1971, dus vlak nadat Radio Noordzee met een Nederlandstalige service in de ether was gekomen. In die periode werden 1000 personen ouder dan 15 jaar ondervraagd. De tweede periode was van 6 tot en met 10 april 1971, waarna het derde onderzoek werd gedaan tussen 19 en 25 juni om de ontwikkeling in het luisterbereik te kunnen volgen. Mede was men benieuwd wat de aanslag op het zendschip van Radio Noordzee in opdracht van medewerkers van Radio Veronica tot gevolg had op de luistercijfers. In het voornoemde rapport, waarbij vermeld dient te worden dat bij de twee laatste onderzoeken telkens 500 personen werden ondervraagd, gaf het rapport destijds een vergelijkend onderzoek. Ik zal niet een uitgebreide analyse uit het rapport naar voren halen maar een korte samenvatting geven van de resultaten. Begin april 1971 lag het percentage van luisteraars boven de 15 jaar op 36%. De cijfers voor de andere radiostations lagen respectievelijk op 48% voor Veronica, 17% voor Radio Luxembourg en 63% voor Hilversum III. Eind juni bleek uit het onderzoek dat luisteren naar Radio Noordzee was gestegen naar 41% en Veronica enigszins terugliep naar 45%. Beide andere stations bleven constant vergeleken met het onderzoek uit april 1971. Het onderzoeksbureau had ook een berekening gemaakt geprojecteerd op de totale bevolking boven de 15 jaar van destijds en kwam tot de conclusie dat eind juni 1971 er een bereik was van 4 miljoen regelmatige luisteraars. Na de aanslag op het zendschip van Radio Noordzee steeg het aantal luisteraars tussen de 25 en 34 jaar extreem van 35% in begin april tot 52% eind juni. In de leeftijdsgroep 15 tot en met 24 jaar werd Radio Veronica in juni voorbijgestreefd met 71% aan Noordzee en Veronica dat in die groep op 64% uitkwam. Men had tevens berekend waar in Nederland de grootste groei aan luisteraars was gehaald getuige de cijfers van eind juni 1971. Grote winnaars waren de regio Oost en Zuid respectievelijk van 33 naar 46% en Zuid van 22 tot 38%. Ook kwam uit het onderzoek naar voren dat van de luisteraars naar Radio Noordzee men gemiddeld 4,9 van de 7 dagen per week wel eens op het station afstemde. Begin april stond dit percentage op 4,6 dagen. Opmerkelijke opkomst van Radio Noordzee in de regio Oost en Zuid. Hoe ging het dan met de ontvangst in de regio Oost destijds? Ik heb Herbert Visser bereid gevonden zijn ervaringen van destijds eens aan het papier toe te vertrouwen en hij kwam met de volgende eigen belevingen van destijds en heden ten dage. ‘Bij daglicht waren zowel Radio Veronica als Radio Noordzee prima te ontvangen in Zevenaar. Wel was Radio Noordzee sterker, maar dat was ook logisch. Radio Noordzee draaide op zo’n 20 kilowatt en bij Radio Veronica kwam er hooguit een halve kilowatt uit de antenne (Veronica stopte zo’n 7 a 8 kilowatt in de antenne maar er kwam nog geen halve kilowatt uit). Zodra het donker werd waren beide stations verdwenen op het kleine simpele Nordmende-transistorradiootje dat ik destijds had. Ik kon op dat simpele transistorradiootje vier jaar later ook naar Radio Delmare luisteren. Wel diende ik destijds allerlei toeren uit te halen zoals mijn ene hand op de radio en de andere op de verwarmingsradiator en dergelijke leggen, maar dan kon ik de uitzendingen van Radio Delmare redelijk hoorbaar volgen. En Radio Caroline op 192 kwam ook overdag goed beluisterbaar door, ondanks dat het zendvermogen van Radio Caroline in de jaren zeventig van de vorige eeuw maar twee kilowatt was (bron: Peter Chicago). De multiplexer aan boord van de Mi Amigo kon meer vermogen niet aan terwijl ook Radio Mi Amigo in de lucht was. Aan boord van de Ross Revenge stond een betere multiplexer; en in de periode dat ik daar aan boord was, stond Radio Monique te draaien op 23 kilowatt op 963 kHz en Radio Caroline met een kilowattje of 8 op de 558. Overigens is, Radio Caroline sinds september 1974 nooit zo goed te ontvangen geweest als nu op de 648 kHz Weliswaar waren de signalen overdag vanaf de Mi Amigo en zeker vanaf de Ross Revenge met de hoge zendmast sterker dan nu. Maar zodra het donker was kwamen de signalen door van de buitenlandse rechtmatige gebruikers van de frequenties en werden op bijvoorbeeld de 259 meter de signalen vanaf zee doorspekt met de signalen van de Hongaarse Staatsradio. Nu echter is het signaal op 648 kHz ook in de avonduren nog goed beluisterbaar. Dus heeft over de hele dag beschouwd Radio Caroline anno nu in de Benelux een betere AM-ontvangst dan toen Radio Caroline nog een zeezender was.’ Hans Knot, 24 augustus 2019 Afbeelding: Mebo II (foto Rob Olthof)
  15. Deze keer heb ik nog eens wat herinneringen uit februari 1957 opgedoken. Een deel van Nederland had nog geen of slechte televisieontvangst en dus werd er gezocht naar een geschikte plek om een televisietoren te plaatsen in een van de noordelijke provincies. Op 1 februari werd bekend dat het in ieder geval niet in Appelscha zou worden gebouwd, zoals in diverse berichten was gemeld. De Leeuwarder Courant bracht uiteindelijk het niet doorgaan: ‘De geprojecteerde televisietoren voor het noorden — vurige hoop voor bezitters van televisietoestellen in onze contreien — zal niet in Appelscha verrijzen, maar gebouwd worden op een meer oostelijk gelegen plaats, even over de Friese grens. Zeer waarschijnlijk zal de gemeente Smilde de toren krijgen.’ Oorspronkelijk zou de te Appelscha geprojecteerde televisietoren een hoogte van 200 meter krijgen. Hoger kon men daar niet bouwen, omdat Appelscha in de aanvliegroute van het vliegveld Eelde ligt. Een dergelijke hoogte zou echter niet voldoende zijn optimaal bereik van televisiesignalen te realiseren. De Rijksluchtvaardienst had wel geadviseerd de toren 5 tot 6 kilometer oostelijker van Appelscha te laten bouwen, waarbij men een hoogte van 300 meter kon toestaan. Hoewel het Friese college van Gedeputeerden en het gemeentebestuur van Weststellingwerf zich vol enthousiasme op de plannen hadden geworpen, mede met het oog op de recreatief aantrekkelijke uitzichttoren, en hoewel de PTT zijn toezegging gestand wilde doen, de toren in Appelscha te bouwen, indien men daarop stond — hadden beide colleges zich vervolgens spontaan met het plan van de PTT verenigd. Zij stelden zich op het standpunt, dat de toren allereerst ten volle moest voldoen aan de televisievoorziening in het noorden van Nederland. Wel werd besloten dat de FM-zender, die in Irnsum stond, tijdelijk zou worden ingericht als provisorische televisiezendstation. Op 2 februari, dus een dag later, werd in de dagbladpers melding gemaakt dat het nog wel twee jaren kon duren alvorens een televisietoren in het noorden van Nederland actief kon worden ingezet om te komen tot een breder en betere ontvangst in de noordelijke provincies: ‘Het voor Friesland zo pijnlijke besluit, de televisietoren voor het Noorden niet in Appelscha, maar waarschijnlijk in Smilde, te doen bouwen is, naar wij nader vernemen, uitsluitend genomen uit zuiver technische en wetenschappelijke overwegingen. Een toren in Appelscha zou namelijk ook met het oog op de toekomstige uitbreiding met kleurentelevisie, telefonie door middel van een straalzender, voor het gebruik van mobilofoons en dergelijke niet geschikt zijn geweest.’ De Drentse toren — een betonnen onderbouw met daarop een zogenaamde getuide stalen mast, die zich vrij kan bewegen — werd vervolgens op dat moment de hoogste in het land, daar de andere torens en masten een hoogte van tussen de 150 en 200 meter hadden, uitgezonderd later die van Lopik die boven alles uitstak. Deze werd in 1961 geopend en kreeg een lengte van 372 meter. Dan een herinnering aan een feestelijke ontvangst van Bill Haley op 5 februari 1957 waar het Londense Waterloostation het toneel was van een uitzinnige betoging van rock and rollers, ter ere van de aankomst van de Amerikaanse bandleider Bill Haley en zijn begeleidingsband de Comets. De plaatselijke autoriteiten hadden ongeregeldheden verwacht en had de jeugd, via radio en de dagbladpers, opgeroepen ‘de kerk ietwat in het dorp te laten’. Toch was desondanks de ontvangst ontaard in een ware veldslag van duizenden opgeschoten jongens en meisjes, die tenslotte een vrouwelijke politieagent in ernstige toestand in het ziekenhuis deed belanden en Bill Haley bijna in Adamskostuum deed verschijnen. Het bleek dat Haley en zijn gevolg gekozen hadden voor een overtocht met een van de grootste cruiseschepen uit die tijd want in het Algemeen Dagblad was te lezen: ‘Reeds bij de aankomst van de Queen Elizabeth in Southampton was het een gedrang van ongekende heftigheid geweest, maar daar hadden twaalf stoere politiemannen Haley in hun midden genomen en in zijn auto gestopt. Bij het Waterloostation had de toch niet zo ondermaatse Londense politie zogenaamde dichte arm-in-arm kordons gevormd. Men had bij de aankomst van de Amerikaanse pianist Liberace reeds een voorproefje gehad. Nochtans bleken de ordemaatregelen niet voldoende om de tierende menigte halfwassen in bedwang te houden. Mannelijke rock and rollers droegen geelrode linten in het knoopsgat, vrouwelijke dito’s hadden er hun jurken mee versierd, er waren spandoeken met welkomstleuzen en toen Haley met moeite in zijn auto was gestapt en kushanden wierp, keerde menige jeugdige bewonderaarster zich om en toonde, geborduurd over het zitvlak van haar spijkerbroek, het opschrift ‘I love Bill’. Het gedrang van de menigte was zo groot dat de politie ruim twintig minuten nodig had om een doortocht voor Haley te banen. Aanhangers van de zanger beklommen de auto, waarin hij zou worden gereden, waarbij ze rock and roll thema’s op het dak roffelden. Dan was er nog iets met een groot schip een dag later op 7 februari 1957. Het ging om de eerste reis van wat toen tot de nieuwe ‘Statendam’ was gedoopt. Duizenden mensen deden het schip, de bemanning en passagiers uitgeleide voor de eerste reis van de Statendam, eigendom van de Holland-Amerika-Lijn. De menigte was samengeschoold op de Wilhelminakade en omgeving in Rotterdam om, wat in de volksmond al het zeekasteel werd genoemd, het vertrek van de Statendam naar New York meer dan een feestelijk tintje te geven. De tocht met het schip was geheel volgeboekt In feite onderscheidde de inscheping der passagiers zich in niets van andere inschepingen uit die tijd. Onder de passagiers bevonden zich onder meer de hoofddirecteuren van de Holland-Amerika Lijn en van de werf Wilton Feyenoord, alsmede tal van zakenlieden. Een speciale gast was Jan Fekkes uit Rotterdam, jarenlang kampioen op de 5000 meter en was genodigd deze maiden trip mee te maken aangezien hij ook aanwezig was bij maiden trip van de originele Statendam in april 1929 en wel als twintig maanden jonge baby. Vijf jaar was Fekkes destijds in Amerika gebleven, maar in 1957 ging hij voorgoed met zijn vrouw en 28 maanden oude zoontje naar Amerika, wat toen de nieuwe wereld werd genoemd. Hij zou er gaan werken in de tuinbouw in Indianapolis. Aan boord was er muziek van het Trio van Pia Beck, die regelmatig tijdens de overtocht een optreden verzorgde. Na aankomst in Amerika zou het trio 5 weken lang in diverse plaatsen optreden. Op 25 april 1957 kwam ze terug in Nederland om vervolgens zowel op de Belgische als Britse televisie te verschijnen, waarna ze weer naar Scheveningen ging waar ze thuiswedstrijden ging spelen met haar Trio. Hans Knot, 17 augustus 2019. Afbeelding: Statendam (foto Vereniging de Lijn)
  16. Zo maar een paar korte verslagen uit februari 1957 uit Groningen. Twee clandestiene radiostations werden er op zondagavond de 10de februari opgespoord door de Groninger Politie, in samenwerking met ambtenaren van de P.T.T. De daders werden op heterdaad betrapt tijdens de uitzending. Volgens het Nieuwsblad van het Noorden, waarin destijds de berichtgeving was terug te vinden, was er eerst een pand aan de Bilitonstraat betreden. ‘Onder allerlei opvallende en soms zelfs lieflijke roepnamen, zoals ‘Madeliefje’, ‘De Smokkelaar’, ‘De Dankbaarheid’ en ‘De Molenwiek’, had de eigenaar al geruime tijd zijn ether-activiteiten ontplooid. Het Madeliefje werd echter realistisch als een lastige smokkelaar behandeld en zal — overigens tot veler dankbaarheid — zijn geestigheden voortaan op andere wijze moeten lanceren.’ De tweede ‘geheime zender’ werd ontdekt in de Nieuwe Ebbingestraat, op loopafstand van Madeliefje en deze kondigde zich nog geestiger aan als ‘Baron van Münchhausen’, en vroeger werd de naam Peter Pech’ gebruikt. Ook deze baron had de nodige pech, want ook hij zag zijn dure zendinstallatie in beslag genomen door de ambtenaren van de Opsporingsdienst van de P.T.T. In totaal werd er die zondagavond tegen drie personen van respectievelijk 32, 27 en 20 jaar, proces-verbaal opgemaakt en werd later de apparatuur verbeurd verklaard. In het Stadsparkpaviljoen in Groningen was er zaterdagavond 9 februari 1957 een door de Groninger Jazz Sociëteit georganiseerde jazz-avond, die natuurlijk meer door dans- dan door jazz-liefhebbers werd bijgewoond. ‘Na een kort inleidend woord door de voorzitter, de heer H. van Delden, werden al dadelijk alle registers opengetrokken, zowel door de musici als door de teenagers, die al van het eerste nummer af — en masse — hun hang naar een dansvloer demonstreerden en dezen dan ook tot op de vierkante decimeter verwoed schuifelden. Zij deden dit met het zelfbewustheid der prille jeugd, de dames compleet met vlechten en paardenstaarten (wij hebben vergeefs uitgekeken naar de vurige rock-and roll- kousen), de heren met een toepasselijk gemis aan hoofdhaar, een teveel aan kinbaard en kromme pijpjes’, aldus een verslag in de regionale krant. Afbeelding: Jenne Meinema en Cees Koorenhof (foto Groninger Poparchief) Overigens ging het er gezellig en ongedwongen toe en de uitvoerende musici kregen de bijval, die zij ongetwijfeld verdienden. Het waren allereerst Jenne Meinema (altsax). Jan Groenendal (trompet), Joop Verbeke (piano), Ludwig Eschweiler (bas) en Martin Vijver (drums), die in een hoog tempo new en old favourites aan het oor toevertrouwden. Het Nieuwsblad van het Noorden meldde dat vooral uitblinker Jenne Meinema zich in zijn vaak virtuoze improvisaties een uitstekend musicus vertoonde, die jazz aanvoelde. Ook in het samenspel tussen hem en trompettist Groenendal (‘Strike up the band’) waren dikwijls opvallend goede dingen te constateren. Verder speelde er nog een jeugdcombo met de jonge (en zeker wel iets belovende) Roel Hemmes op tenorsax, André van Dam (piano), Chris Peters (bas) en Piet Leeuw (drums). Roel Hemmes werd platenhandelaar maar speelde jaren lang ook op tenorsax en deed mee op een van de lp’s van Cuby and the Blizzards in de jaren zestig van de vorige eeuw. Maar er werd dat weekend ook gehandeld gericht op de toekomst, namelijk de Meikermis. In het Concerthuis aan de Poelestraat te Groningen werd de openbare inschrijving gehouden voor de Groninger Meikermis. Het was niet een snelle afhandeling want het duurde niet minder dan vier en een half uur voordat alle plekken waren toegewezen. De toenmalige Groninger wethouder Streuper opende om tien uur die zaterdagochtend met het voorlezen van de eerste inschrijving. De bijeenkomt duurde vervolgens tot half drie in de middag toen de laatste bieding werd behandeld. Het was inschrijving nummer 262 van een kermisexploitant die graag een plekje wenste op een van de pleinen waar de jaarlijkse Meikermis in Groningen plaats ging vinden. Een paar honderd exploitanten waren aanwezig en dat was veel meer dan in 1956. De Meikermis was in 1957 trouwens gepland voor de periode van 11 tot en met 19 mei. Verwacht werd dan ook dat te innen pachtgelden minstens 20.000 gulden hoger zouden zijn als in het voorgaande jaar. Dit hield tevens in, dat ook de samenstelling van de kermis die van het jaar 1956 ging overtreffen. Zo was er een exploitant van een achtbaan, die voor een plekje op de Vismarkt liefst 8000 harde guldens neertelde. Een eigenaar van een Balcospel, je weet wel met de grijpers proberen een object te scoren, betaalde 5379,-- gulden, ervan overtuigd dat dit bedrag zeer zeker fors zou worden overschreden tijdens de Kermisdagen. Hij had dan ook als enige dat jaar een dergelijk spel op de Kermis en hoefde niet te vrezen dat goklustige Groningers naar de concurrent zouden gaan. Voor de eetlustige bezoekers was er een keuze uit liefst 13 gebakkramen verspreid over de Vismarkt, Ossenmarkt en Grote Markt, terwijl bij vier kramen de destijds nog redelijk betaalbare palingen konden worden gekocht. Naast de gebruikelijke schiettenten en autoscooters mochten de kermisbezoekers in 1957 ook hun hart ophalen in een zogenaamde emotiebaan, waarin een reis ‘naar Mars’ gemaakt kon worden. Of het om een enkele reis ging of een retourtje werd niet bekend gemaakt. Hans Knot, 10 augustus 2019
  17. In deze aflevering zet ik een presentator van weleer in de spotlight. Karel Prior was een van de bekende gezichten — misschien beter gezegd ‘stemmen’ — uit de naoorlogse jaren van de Nederlandse radio. Daarnaast was hij als producer verantwoordelijk voor tal van succesvolle programma's op de radio en de televisie. In dit artikel een terugblik op een aantal opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van Karel Prior: zomaar enkele van de vele "prioriteiten" uit het rijke leven van een van de voortrekkers uit de Nederlandse radio- en televisiewereld van na de Tweede Wereldoorlog. Veel oudere radioluisteraars zullen zich nog de stem kunnen herinneren die bijna vijftig jaar geleden — om precies te zijn in februari 1971 — de eerste Nederlandstalige woorden uitsprak op Radio Noordzee. Bij herhaling klonk, gedragen door een prachtig stemgeluid, steeds maar weer dezelfde tekst: "Dit is Radio Noordzee met een proefuitzending ... U zult in de toekomst meer van ons horen. U gaat nu luisteren naar een non-stop muziekuitzending van Radio Noordzee." Die woorden werden destijds ingesproken door Karel Prior op een zogenaamde loop-tape. Prior overleed op 24 april 1997 — hij was toen 73 jaar oud — na een leven dat bijna geheel in het teken stond van de radio en televisie. Na de start van de Nederlandstalige service van Radio Northsea International (RNI) kreeg Prior in maart 1971 bij dat station zijn eigen programma. ‘Prioriteiten’, dat zich vooral op het oudere luisterpubliek richtte en dat ging iedere zondagmorgen de ether in. Voor de gemiddelde tiener en twen die in die tijd op het station afstemden, was Prior's mooie stem toen een nieuw geluid. Voor de meeste ouderen was er evenwel sprake van herkenning. Prior had op dat moment namelijk al een lang radioverleden achter de rug. Voordat hij, via zijn productiebedrijf Karel Prior Producties dat overigens net als de RNI-organisatie op de terreinen van het Strengholt-concern in Naarden was gevestigd, betrokken werd bij de uitzendingen van de Nederlandstalige uitzendingen van RNI, had hij al tal van werkgevers versleten. De in 1924 geboren Prior begon na de Tweede Wereldoorlog zijn radioloopbaan in Hilversum. In eerste instantie probeerde hij het als acteur en cabaretier, maar in 1947 stapte hij de omroep binnen als nieuwslezer en omroeper. Vanaf die tijd kent zijn loopbaan tal van successen en bijna even zovele werkgevers, waaronder de VARA, de NRU (de Nederlandse Radio Unie), de AVRO, de TROS en de NOS. Prior werd in 1952 door de leiding van de VARA gevraagd om het grote radio-amusement voor de zaterdagavond te gaan produceren. Hij toonde zich daarbij iemand met een goede neus voor talent. Voordat de televisie werd geïntroduceerd, werd de avonden gevuld met aantrekkelijke radioprogramma's voor het hele gezin. Geliefd waren daarbij de zogeheten ‘volkse typetjes’. Een daarvan was de draaiorgelman ‘Willem Parel’, die oorspronkelijk slechts een keer acte de préséance zou geven in het programma ‘VARA’s Showboat’. Prior was echter zo slim om deze act van Wim Sonneveld een vaste plek te geven in het programma. Terecht zo bleek, want de figuur van Willem Parel werd enorm populair. Prior was daarnaast verantwoordelijk voor nog een ander kassucces voor de VARA. Op 11 februari 1956 bracht hij het duo Tom Manders — in diens vaste rol van de zwerver Dorus — en de organist ‘meneer’ Cor Steijn samen in een aflevering van het programma ‘Showboat’. Gevolg was dat dit duo zowel via radio, als later de televisie, enorme successen zouden boeken. In 1957 maakte Prior de overstap van de VARA naar de AVRO. In die hoogtijdagen van de verzuiling was dat nog hoogst ongebruikelijk. De omroepen profileerden zich met een beroep op hun ‘overtuiging’ en Prior's daad werd bijna ervaren als een vorm van geloofsafval. De overstap maakte dan ook nogal wat publiciteit los. Prior trok zich er weinig van aan en maakte ook voor zijn nieuwe werkgever tal van succesvolle programma's. Hij was bij de AVRO onder meer verantwoordelijk voor het programma ‘Koek en Ei’ met Conny Stuart, Ko van Dijk, Joep Doderer en Johan Kaart. Dat bekende viertal was een andere reden waarom de overstap zoveel publiciteit opriep. Prior had de acteurs gewoon overgehaald om uit het VARA-programma ‘Mimoza’ te stappen om vervolgens bij de AVRO onder een andere programmanaam de successen voort te zetten. Prior verwierf daarnaast bekendheid als televisieproducer. Absolute toppers uit het zwart-wit tijdperk van de Nederlandse televisie zijn ‘De Weekend-Show’ met Rijk de Gooyer en Johnnie Kraaykamp en ‘Hou Je Aan Het Woord’, een taalkundig spelprogramma met onder meer Karel Jonckheere en Godfried Bomans — beide producten van Prior. Jarenlang hield hij het vol bij de AVRO en de TROS, totdat het tijdperk van de grote showprogramma's verleden tijd werd. Zijn liefde ging daarna weer uit naar de radio, waarvoor hij in de late jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw andermaal programma's ging maken voor de AVRO. Graag had hij, na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, dit werk voortgezet. De leiding van, de AVRO was het er echter niet mee eens en daarmee viel vervolgens een van de prachtigste stemmen van de Nederlandse radio niet meer te beluisteren. Prior zat altijd vol ideeën, maar was bij lange na niet bij iedereen geliefd. Sommige bestuurders hadden een uitgesproken hekel aan de man. Zo werd Prior in 1960 — hij werkte toen dus al zo'n drie jaar bij de AVRO — namens de gezamenlijke omroepen gevraagd om het Bevrijdingsprogramma op de televisie te regisseren. In die tijd discussieerden de vertegenwoordigers van de betrokken omroepen altijd uitgebreid vooraf of een bepaald item wel of niet in een programma mocht komen. Ook voor het betreffende Bevrijdingsprogramma, dat op 5 mei 1960 zou worden uitgezonden, zaten de vertegenwoordigers van de omroepen rond de tafel om de invulling van het feestprogramma rond te krijgen. Op dat moment stond de zangeres Corry Brokken hoog in de hitparade met haar versie van ‘Milord’, een Nederlandse bewerking van een chanson dat al eerder bekend werd in de uitvoering van de Franse zangeres Edith Piaf. Prior had het lied, dat overigens liefst zestien weken — nog steeds een nationaal record — de eerste plaats op de hitparade wist te behouden, in de uitzending opgenomen. De wrange tekst, die handelde over een prostituee, werd evenwel — vooral in christelijke kring — als aanstootgevend ervaren. Een kort citaat uit het liedje: "En als je eenzaam wordt, Moe van 't gelukkig zijn, Kom dan bij mij, Milord, Dan sluit ik het gordijn ..." Een vertegenwoordiger van de NCRV gaf te kennen, dat een lied met een dergelijke tekst beslist niet in het programma paste. Prior was woedend en gaf staande de vergadering zijn opdracht terug. Met het schrappen van de titel ‘Milord’, zo zei hij met een beroep op zijn deskundigheid, werd het werken als producer hem onmogelijk werd gemaakt. Prior's beslissing om de opdracht terug te geven, veroorzaakte nogal wat opschudding. Veel artiesten — met als woordvoerder de regisseur en tekstschrijver Wim Ibo — verklaarden zich solidair met Prior. Het was een van de eerste tekenen van de omslag van de jaren vijftig naar de jaren zestig. Voor Prior zelf had het muisje overigens nog een financieel staartje. Eerst waren het nog voornamelijk geruchten die achter de schermen de ronde deden. Maar begin juni 1960 — dus meer dan een maand nadat Prior besloten had zijn taken aan de gezamenlijke omroepen terug te geven — werd duidelijk dat het bestuur van de AVRO consequenties had verbonden aan Prior's weigering. Prior, die tot op dat moment een aanstelling had als hoofd amusement, werd gedegradeerd tot gewoon omroepmedewerker. Dit stond destijds gelijk aan degradatie vanuit schaal 13 tot aan de bodem van schaal 12. Deze gebeurtenis werd uitgebreid in de pers naar voren gehaald. In de kranten viel zelfs te lezen dat het Prior minimaal tweeduizend gulden op jaarbasis zou schelen. Let wel we hebben het over het jaar 1960. De AVRO was echter niet tot het uiterste gegaan. Zowel de NCRV als de VARA, beide eerdere werkgevers van Prior, hadden er bij de directie van de AVRO op gestaan dat de man op staande voet zou worden ontslagen. Dat de NCRV het ontslag van Prior had geëist, had puur te maken met de tekst van het liedje ‘Milord’ dat Prior wenste uit te zenden op de televisie. Bij de VARA speelden ook andere overwegingen een rol. Voor deze omroep vormde de gebeurtenis een prachtige gelegenheid om Prior terug te pakken voor wat ze nog steeds zagen als een geval van overlopen. Een salarisverlaging was een tweede optie. Men vond in VARA-kringen namelijk destijds al dat zijn nieuwe werkgever hem veel te hoog had ingeschaald. Dit probleem werd toen zelfs uitgevochten tot aan de toenmalige omroepcommissaris, professor Beel, toe. Die liet uiteindelijk weten, dat de AVRO goed zat op het punt van Prior's aanstelling in salarisklasse 13. Naar huidige maatstaven gemeten, stond de maatregel van de AVRO in geen enkele verhouding met het principiële standpunt van Prior. De hele gebeurtenis werpt tegelijkertijd een schril licht op de toestanden, die rond die tijd binnen de omroepen heersten. Hoewel de bestuurders er niet tegenop zagen om hun visie op de conflicten openbaar te maken via verklaringen aan journalisten, werd er binnenshuis besmuikter mee omgegaan. Ook dat riep weer de nodige irritatie op. Wordt vervolgd. Hans Knot, 27 juli 2019 Afbeelding: Karel Prior (foto Wikipedia / beeldengeluidwiki.nl)
  18. De maand juli is een zomermaand, een maand om vakantie te kunnen houden maar ook om het even rustig aan te doen. Nostalgisch neem ik je vanaf het laatste weekend in juni in vier delen mee terug in de tijd en ga het hebben over het eens zogeheten ‘heilig kastje’, dat in vele gezinnen een lange tijd centraal stond: de televisie. Vandaag deel 4. Het plan, dat de omroepen dienden te maken, stond trouwens los van de taken van de Pacificatiecommissie. De opdracht aan deze commissie had een veel wijdere strekking. Deze commissie werd onder meer geacht advies uitbrengen over de bezetting van een tweede televisienet. Behalve problemen, die verband hielden met de uitzendingen van reclameboodschappen, moest zij ook tal van andere zaken betreffende uitzendingen over het tweede net bestuderen, zoals de vraag of ook andere instanties, dan de bestaande omroepverenigingen, uitzendingen via dat net zouden moeten kunnen verzorgen. Afbeelding: Cartoon Opland Volkskrant Ook in wetenschappelijk kring bleek men zich in het jaar 1964 ernstige zorgen te maken over de televisie. Ditmaal ging het echter noch over reclame, noch over de kabel. Nee, het intellectuele niveau van de televisie liet te wensen over. Zo luidde tenminste de conclusie van een congres over "Televisie", dat in januari 1964 in Eindhoven werd gehouden. De bijeenkomst was georganiseerd door de Sociëteit Cultureel Centrum en omgeving, dat haar tienjarig bestaan vierde. Een forum, onder voorzitterschap van niemand minder dan Mr. J.M.L.Th Cals, constateerde dat intellectuelen slecht vertegenwoordigd waren bij de televisie, "... zowel voor als in de beeldbuis." Dat lag volgens de wetenschappers aan het verschil tussen het niveau van de intellectuelen en dat van het televisie-aanbod. Daarom viel er, zoals ze het zelf formuleerden, "nog steeds een aversie bij deze bevolkingsgroep te constateren om zich met de uitschakeling van hun rijke scala van menselijke functies en mogelijkheden in de categorie der 'simpele kijkers' te laten inschakelen." Simpel gezegd, het televisie-aanbod had te weinig intellectueel niveau. Het forum had daarvoor ook een oplossing bij de hand. Binnen de NTS en de omroepen zouden meer academici in dienst moeten worden genomen, "teneinde de graad van deskundigheid der geboden voorlichting ter verhogen." Het forum was wel zo goed om direct daarbij te waarschuwen om geen wonderen te verwachten. Het aannemen van meer wetenschappelijke medewerkers zou niet betekenen dat de intellectueel zijn bureaustoel zou inruilen voor een ligstoel: "Heel wat academici zullen bereid moeten zijn zich in de ogen van de clan in de televisie te deballoteren, alvorens de grondeloze diepte der aversie is bereikt. Immers er is geen toestel dat zo totaal van elk snob-appeal is gespeend als juist dit monument der gestegen welvaart. In zijn poging iedereen, ook de ongevormde, 'in' te doen zijn, ligt de oorzaak van zijn totale 'uit' zijn. Eerst wanneer het gehele scherm door doctorandi in bezit zal zijn genomen, zullen dezen ertoe overgaan zichzelf een toestel aan te schaffen," aldus het Forum tijdens het congres in Eindhoven. Ook dat soort geluiden viel kortom in 1964 nog te horen, al vormde het niet langer het centrum van het publieke debat over de televisie. Pas bij de entree van de TROS in het televisiebestel — denk aan de zogeheten "vertrossing" — zou dit thema weer naar voren komen. Maar zover was het nog lang niet. Hoe ging het verder? Voor de kust van Noordwijk werd begin juni 1964 het kunstmatig platform verankerd waarvandaan in het tweede helft van 1964 Radio Noordzee en niet veel later, vanaf 12 augustus, TV-Noordzee hun uitzendingen begonnen. De programma's werden niet via de kabel doorgegeven door de PTT en, ondanks hun kabelaansluiting, klommen veel bewoners van het Haagse Bezuidenhout weer het dak op om de speciale REM-antenne te installeren. Ze waren niet de enigen. In diezelfde maand zette de Pacificatiecommissie al haar activiteiten tijdelijk stil, zonder een rapport bij de regering op tafel te leggen. De leden van de commissie lieten minister Bot weten dat zij niet weer aan het werk zouden gaan voordat de bewindsman zijn standpunt over de REM duidelijk had gemaakt. Hun redenering was, zij onder druk van de komst van de REM, niet in vrijheid hun mening te kunnen vormen over de toekomst van de televisie en de eventuele invoering van reclame. Het kabinet moest eerst duidelijk laten zien wat het wilde en hoe het dacht over deze "piraterij" op radio en televisie. Wat niet letterlijk door de commissieleden werd gezegd, maar waar het eigenlijk wel op neer kwam, was dat men eigenlijk niet weer aan het werk wenste te gaan voordat zowel de REM als Radio Veronica, dat al vier jaar actief was vanaf internationale wateren, uit de lucht waren gehaald. De politiek, dat was duidelijk, zag het allemaal niet zitten — met uitzondering dan van de VVD. Daar was men positiever ingesteld op het punt de uitzendingen vanaf internationale wateren. Mevrouw Haya van Someren-Downer verklaarde bijvoorbeeld in een radio-uitzending, naar aanleiding van het besluit van de commissie, dat het een normale zaak was dat de uitzendingen vanaf zee werden verzorgd: "Iets wat in dit land niet wordt toegelaten, terwijl er blijkbaar toch behoefte aan is, dient men te legaliseren, zelfs als het illegaal buiten de grenzen gebeurt." Maar, de VVD had het niet voor het zeggen. De Nederlandse regering maakt snel een wetje, waarmee de uitzendingen werden verboden. De REM zou op 17 december gedwongen worden om haar uitzendingen te stoppen. De regering kon echter niet meer om de zaken heen en diende met een goed alternatief moeten komen. Men probeert het. Zo werd op 1 oktober 1964 het tweede net definitief toegewezen aan de zendgemachtigden. Verder werd de zendtijd officieel uitgebreid tot 52 uur per week. De reclame op de televisie kwam er ook. Aan het eind van 1964 werd dan toch het rapport gepubliceerd van de Pacificatiecommissie. Daarin adviseert de commissie om etherreclame toe te staan. Dat gebeurde uiteindelijk ook, al zou het kabinet Marijnen in 1965 nog over deze kwestie struikelen. En, ook de instelling van CAI's ging gedreven voort in Nederland. De antennes verdwenen massaal van de daken. Tot het aanleggen van een landelijk kabelnet, wat de regering honderden miljoenen guldens zou hebben gekost, is het overigens nooit gekomen. In 1965 verliet de overheid het standpunt dat uitsluitend de PTT hiervoor zorg moest dragen. Middels plaatselijke initiatieven kwamen er in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw de eerste kabelnetten — de eerste werd, naar verluidt, in 1971 in Goirle in gebruik genomen — die zich vervolgens landelijk verspreidden. Tegenwoordig is Nederland het best bekabelde land ter wereld. Geraadpleegde bronnen De Volkskrant, jaargang 1964. Parool, jaargang 1964. Maandblad De Katholieke Werkgever, 1964, 2. NTS Infobulletin, 1964. Staatsbedrijf der Posterijen (1963), Telegrafie en Telefonie (1963), Vervolgrapport draadomroep: centraal antenne systeem. Den Haag: Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, 1963. Televizier, 7 november 1964. En verder diverse omroep- en overheidsdocumenten uit het Nederlands Audiovisueel Archief, Hilversum, en het Archief van het Freewave Nostalgie Magazine. Hans Knot, 20 juli 2019
  19. De maand juli is een zomermaand, een maand om vakantie te kunnen houden maar ook om het even rustig aan te doen. Nostalgisch neem ik je vanaf het laatste weekend in juni in vier delen mee terug in de tijd en ga het hebben over het eens zogeheten ‘heilig kastje’, dat in vele gezinnen een lange tijd centraal stond: de televisie. Vandaag deel 3. Vorige week eindigde ik met het gegeven dat de PTT — dat was wel duidelijk — deze zaak niet alleen zou aankunnen. Bij elkaar genomen ging het immers om een investering van enkele honderden miljoenen guldens — en dat in bedragen van 1965. Men hoopte daarom ook op samenwerking met verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en woningbouwverenigingen, waarmee collectieve contracten zouden kunnen worden afgesloten voor de aansluiting van hele woonblokken op het systeem. De toekomstige kosten van een collectief abonnement zouden dan niet al te hoog worden. De PTT-topman verwachtte dan ook dat zo'n abonnement als een meerprijs in de maandelijkse huurafdracht zou kunnen worden doorberekend. Om het publiek warm te maken voor zijn denkbeelden, was de PTT ook niet wars van verre visioenen. Opmerkelijk in dit verband is de vroege vorm van betaaltelevisie, die professor Bast in gedachten had. Hij was van mening dat het mogelijk zou zijn bij elk televisietoestel een soort van muntautomaat te plaatsen, waarbij bepaalde kanalen zouden kunnen worden bekeken. Hier moest dan extra voor worden betaald: "Een mooie manier om de lokale sport te bevoordelen, immers een plaatselijke distributiemaatschappij zou er toe over kunnen gaan wekelijks een voetbalwedstrijd van de plaatselijke vereniging, tegen betaling, te gaan uitzenden. Een soort van wasmunt kan dan het beeld voor de bewoners zichtbaar maken." De optimistische vooruitzichten van de PTT waren echter niet aan de regering besteed. Die had op dat moment ook wel andere zorgen aan het hoofd. De aarzelende houding van de overheid ten aanzien van reclame op beeldbuis, had geleid tot een aantal creatieve, particuliere initiatieven. Daarover was sinds eind 1963 ook al het een en ander in de pers geschreven. Veel hadden de journalisten daarbij besteed aan de plannen van een aantal Nederlanders om voor de kust van Noordwijk een kunstmatig eiland te verankeren. Dit eiland zou worden gebouwd in Ierland (Cork) en op het platform zouden zowel een radio- als een televisiezender worden geïnstalleerd. Het geheel zou worden geëxploiteerd onder de naam REM (voluit: Reclame Exploitatie Maatschappij). De onderneming zou weliswaar pas in september 1964 van start gaan. Maar aangezien de woordvoerder van de REM, Brandel, veelvuldig de publiciteit zocht en ook de diverse kranten de activiteiten van de REM nauwgezet volgden, werden ook de beheerders van de eerder voornoemde CAI's wakker geschud. De meeste van hen zagen de zenderuitbreiding evenwel niet zitten. Begin februari 1964 meldde een woordvoerder van een CAI, in één van de grote steden van de Randstad, al dat zijn onderneming de centrale antenne-installatie in de woningen beslist niet in orde wenste te brengen voor de ontvangst van de toekomstige "reclamezender" uit zee. Dat had overigens ook niet gekund, want het was nog onbekend op welk kanaal de nieuwe zender zou gaan uitzenden. Het was een vraag die Brandel niet wilde beantwoorden. En ook dat leverde weer stof op voor commentaren in de pers: "De chaos op het gebied van de antennes voor de televisie-ontvangst wordt met de dag groter. Niemand weet op welk kanaal de reclamezender in zee in de loop van de zomer zal gaan zenden. Gevolg is dat niemand de antenne thuis, of de centrale antenne-installatie, al gereed kan gaan maken voor ontvangst. Met andere woorden: hoe langer meneer Brandel wacht met het geven van het antwoord op de vraag die velen bezig houdt, des te kleiner maakt hij — zeker in de beginperiode — het aantal kijkers naar zijn betaalde zender." Maar Brandel en de zijnen kozen voor een speciale antenne, die extra moest worden gekocht en aangesloten dienden te worden in de op de antennemast. Via een reclamecampagne in de dagbladpers wist men toch later vele kijkers te trekken. Vrijwel dagelijks waren in die tijd ingezonden brieven, dan wel redactionele opmerkingen, te lezen over de toekomst van de CAI, de reclamezender en een eventueel Tweede Televisienet. Zo kwam er uiteraard commentaar op de weigering van de CAI-woordvoerder om de centrale antenne-installatie aan te passen, wanneer REM TV van start zou gaan. In diverse plaatsen in Oost-Nederland wensten de CAI's in het begin niet het signaal van Duitse stations over te zetten, waarna massaal protest uitbrak en men alsnog overstag ging. Daaruit, zo schreven de kranten, viel een les te leren: ‘Geen exploitant zal zich waarschijnlijk kunnen veroorloven de installatie te laten zoals zij is, en dus niet te zorgen dat zijn abonnees ook naar deze zender zullen kijken. Hij zou, gezien de ervaringen in het oosten van het land, het risico lopen dat de mensen, ondanks het verbod in hun contract zelf antennemasten op hun dak te mogen aanbrengen, dit toch zullen gaan doen. Daarna voor politieagent spelen bleek in het oosten van het land in de praktijk onuitvoerbaar. Gezien het gegeven dat er binnenkort ook beslist zal worden over een eventueel tweede net, zal de technische vakhandelaar het druk gaan krijgen met het aanleveren en plaatsen van twee nieuwe ontvangstantennes bij de verschillende gezinnen.’ En plotseling mengden de Katholieken zich, in maart 1964, andermaal in de discussie. Dit keer waren het de leden van het Katholiek Maatschappelijk Beraad die zich publiekelijk uitlieten over de vraag of "wel of geen reclame op de televisie" moest komen. Binnen het Katholiek Maatschappelijk Beraad waren allerlei andere Katholieke organisaties, zoals de Katholieke Werkgevers, de KNBTH, de Katholieke Middenstandsbond en de Nederlandse Katholieke Vrouwenbond, vertegenwoordigd. Er werd een soort compromis naar voren gebracht. Men achtte de toelating van reclame aanvaardbaar, mits het gebrachte televisieprogramma gevrijwaard bleef van commerciële invloeden. Het Bestuur van het Katholiek Maatschappelijk Beraad was tot deze conclusie gekomen naar aanleiding van een rapport, over de toekomst van de televisie, dat was samengesteld door een commissie binnen het Beraad: ‘.. een gemeenschappelijk standpunt kon worden geconcludeerd na diepgaand overleg, waarbij duidelijk de verschillende wijzen van benadering in de onderscheiden organisaties naar voren kwamen.’ Het KMB onthield zich evenwel van een standpunt over de meest wenselijke vorm van reclametelevisie. Diende er een onafhankelijke commercieel station komen, of diende reclame worden ingevoerd in de programma's van de bestaande omroepen? Op dat punt wrong de schoen natuurlijk het meest. Al in 1961 legden de omroepverenigingen in een geheime nota aan de regering hun ideeën voor over de eventuele invoering van reclame op de Nederlandse televisie vast. De nota werd in februari 1961 bij de Tweede Kamer ingediend. Het rapport was geheim, maar toch werd het in maart 1964 even aangehaald toen bekend werd dat minister Bot de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) had gevraagd hem voor 15 juli van dat jaar een plan voor te leggen voor de invoering van de reclame op de televisie. Het verzoek was gekomen naar aanleiding van een oriënterend gesprek, dat op 25 maart van dat jaar plaatsvond met het bestuur van de NTS. De omroepbestuurders ontvouwden toen hun denkbeelden over de reclame in de televisie, maar deze bleken echter allerminst vast omlijnd. De minister gaf daarop zijn voorlopige reacties, zonder daaraan dwingende consequenties te verbinden. Minister Bot wilde vervolgens, dat de NTS met een nauwkeurig voorstel op tafel kwam. Daarin moest concreet worden aangegeven hoe volgens degenen die toen de televisie-uitzendingen verzorgden, reclameboodschappen in de televisieprogramma's konden en moesten worden geïncorporeerd. Het rapport zelf is altijd geheim gebleven. Er mag evenwel worden aangenomen dat het rapport het idee behelsde om een orgaan voor exploitatie van de reclame in het leven te roepen. In dit orgaan zouden, behalve de omroepen ook andere belanghebbenden, met name de tijdschriftuitgevers (NOTU) en de adverteerders (VEA), moeten zijn vertegenwoordigd. Het verzoek van Minister Bot leverde overigens nog een reactie op in de pers. Een woordvoerder van de NTS liet weten dat de organisatie, mede gelet op het feit dat de minister voor 15 juli 1964 antwoord wenste, haast had met de invoering van reclame op de televisie en bovendien snel wilde overgaan tot het oprichten van een tweede televisienet in Nederland. Hoogstwaarschijnlijk dient deze uitlating worden gezien als een gevolg van de angst dat het toekomstige REM-project daadwerkelijk vele kijkers zou kunnen wegtrekken bij de programma's die door de omroepverenigingen werden uitgezonden. Wordt vervolgd. Hans Knot, 13 juli 2019
  20. De maand juli is een zomermaand, een maand om vakantie te kunnen houden maar ook om het even rustig aan te doen. Nostalgisch neem ik je vanaf het laatste weekend in juni in vier delen mee terug in de tijd en ga het hebben over het eens zogeheten ‘heilig kastje’, dat in vele gezinnen een lange tijd centraal stond: de televisie. Vandaag deel 1 In het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw beschikten nog maar weinig mensen in Nederland over een televisietoestel. De huisgezinnen die wel in het gelukkige bezit waren van zo'n apparaat, zaten evenwel dagelijks aan de beeldbuis gekluisterd. Veel viel er overigens nog niet te zien, want de zendtijd bleef beperkt tot een paar uur per dag. Bovendien was er — tot in 1963 — nog slechts een enkel televisiekanaal beschikbaar. Bewoners van de grensgebieden met België en Duitsland hadden meer geluk. Zij konden ook de beelden ontvangen van stations in de aangrenzende landen. Met de kabel werd dat ook voor de rest van Nederland mogelijk, maar dat zou nog even duren. Pas in 1964 rondde de PTT een proef af met de zogeheten draadtelevisie. Dat het allemaal zo lang duurde, had onder meer te maken met de politieke angst voor de commerciële televisie. Een experiment met de kabel. Het Amerikaanse Seattle was de eerste plaats ter wereld waar televisiesignalen door middel van een "draad" werden verspreid. We moeten daarvoor terug naar 1940 toen het L.A. Parsons, een pionier op het gebied van het experimenteren met de distributie van televisiesignalen, lukte om het signaal van KRSC TV Channel 5 op te pikken en opnieuw te distribueren via een kabel, en daar tien aansluitpunten te voorzien van het televisiesignaal. In Nederland, waar in de jaren vijftig praktisch in elk huis wel een radio of een ontvangsttoestel voor de draadomroep stond, waren er nog bijna geen televisietoestellen te vinden. Het hele televisiegebeuren stond nog in de kinderschoenen. Toch werd er nagedacht over de mogelijkheid van televisie over de kabel. In 1953 had de PTT met de Wet op de Draadomroep het monopolie verworven voor de aanleg, instandhouding, exploitatie en opruiming van draadomroepinrichtingen. Alle particuliere radiocentrales kwamen dat jaar in handen van het staatsbedrijf. Echt goed ging het echter niet met de draadomroep. De groei leek uit de markt en de stijgende welvaart maakte de gewone radiotoestellen voor iedereen toegankelijk. De PTT zocht dan ook naar mogelijkheden om de markt voor de draadomroep uit te breiden. Vijf jaar later, in 1958, ondernam het bedrijf in Den Haag een proef om televisieprogramma's via de bestaande draadomroepkabels door te geven. Vanwege technische problemen was dat experiment echter geen lang leven beschoren. In 1960 overhandigde het bedrijf een rapport aan de toenmalige minister voor Verkeer en Waterstaat, Korthals. De directie van de PTT bepleitte daarin de aanleg van een distributiekabelnet waarop in de toekomst televisiesignalen konden worden verspreid. Ook daarmee werd een proef gedaan. In het begin van de jaren zestig zou een aantal huizenblokken in een wijk van Den Haag, het Bezuidenhout, op experimentele basis de televisiesignalen via draadverbindingen aangeleverd krijgen. Het experiment kreeg de naam CAS mee, een afkorting voor Centraal Antenne Systeem. In 1963 was het zover. Op een gemeentelijke opslagplaats in de wijk werd een grote mast neergezet met de nodige ontvangstantennes en een bijbehorend verdeelstation. De straten werden opgebroken, kabels gelegd naar verdeelpunten en vandaar over de buitenmuren doorgetrokken naar de afzonderlijke huizen. De bewoners konden het tweede Nederlandse net, waarvoor de omroepen in datzelfde jaar een tijdelijke concessie kregen, meteen bekijken zonder een nieuwe antenne aan te schaffen. In de loop van de tijd bleek het mogelijk om via dit lokale net liefst zeven verschillende kanalen tegelijk door te geven. Niet alle kanalen werden overigens daadwerkelijk met programma's gevuld. Het ging voornamelijk om testsignalen om te zien hoever het toekomstig aanbod kon worden opgevoerd, mocht dat — zo werd erbij gezegd — noodzakelijk zijn. Toch werd de keuzevrijheid vergroot. De kijkers mochten voor het eerst zelf bepalen of ze niet liever omschakelen naar een buitenlands programma. De bewoners van het Bezuidenhout kregen bijvoorbeeld vanaf het begin van het experiment de mogelijkheid te kiezen voor de Duitse televisie en ze maakten van die mogelijkheid ook gretig gebruik. Vooral de grootschalige Duitse showprogramma’s lokten veel kijkers in de wijk — en later ook die van de aanpalende nieuwbouwwijk Mariahoeve — weg van de Nederlandse omroepen. Op 2 februari 1964, niet lang na de start van het experiment, openbaarde de PTT een rapport over het experiment, met als conclusie dat er voor de "draadtelevisie" in Nederland een grote toekomst leek te zijn weggelegd. Hoewel ook toen al de bekende "coax"-kabel in gebruik was en in de volksmond de term "kabel" al in zwang was, sprak men nog officieel steeds van "draadtelevisie". Een tijd later pas zou die benaming — toen er werd overgegaan tot de bekabeling van bijna heel Nederland — definitief veranderen in "kabeltelevisie". Afbeelding: Aanleg Bezuidenhout (foto Soundscapes Archief/Museum voor Communicatie? Den Haag was overigens niet de enige plaats, waar de kabel in die tijd ingang vond. Daarnaast waren er, ook al vanaf het begin van de jaren zestig, op diverse plaatsen in ons land zogeheten CAI's — Centrale Antenne Installaties — en GAI's — Gemeenschappelijke Antenne Installaties — in gebruik. Die voorzieningen maakten het mogelijk om een blok huizen te voorzien van slechts één ontvangstantenne. De ontvangen signalen werden dan met behulp van versterkers gedistribueerd naar de woningen in het betreffende woonblok of flatgebouw. De woningbouwverenigingen waren vaak verantwoordelijk voor de installatie en exploitatie. In 1964 waren op die manier in Noord- en Zuid-Holland al zo'n 200.000 huizen aangesloten op diverse CAI's. Een belangrijk motief voor de aanleg van de CAI's vormde de strijd tegen het "antennewoud" dat met de opkomst van de televisie op de daken van de Nederlandse huizen was verrezen. De onesthetische wirwar van masten en kabels was veel stadsbesturen een doorn in het oog. Bij aanleg van een CAI in een gebouw of een huizenblok werd er dan ook nauwlettend voor gezorgd, dat andere bestaande antennes werden verwijderd. Was eenmaal een CAI geïnstalleerd, dan werd vaak in het huurcontract vastgelegd dat de bewoner zelf geen nieuwe antennemast op het dak mocht bijplaatsen. Een neutrale opstelling. De PTT wilde de concurrentie met de CAI's wel aan. Het rapport dat het bedrijf in 1964 over het experiment uitbracht, sloeg dan ook een optimistische toon aan. Volgens het rapport maakten de ontwikkelingen op het gebied van de draadtelevisie het mogelijk om elke Nederlandse stad van enige omvang te voorzien van een eigen televisieomroep. Zo zouden via regionale televisiestations plaatselijke concerten, toneeluitvoeringen, sportwedstrijden en gemeenteraadszittingen worden uitgezonden. Tevens meldde men dat er, technisch gezien, ook mogelijkheden waren tot reclame-uitingen. Politiek bezien, waren dat netelige punten. De invoering van lokale omroepen en — al of niet in combinatie — van reclame, werd door de verzuilde publieke omroepen met argwaan bekeken. En dat gold ook voor de politieke partijen, waaraan die omroepen qua "overtuiging" waren gelieerd. Volgende week meer over die neutrale opstelling. Hans Knot, 29 juni 2019
  21. De maand juli is een zomermaand, een maand om vakantie te kunnen houden maar ook om het even rustig aan te doen. Nostalgisch neem ik je vanaf het laatste weekend in juni in vier delen mee terug in de tijd en ga het hebben over het eens zogeheten ‘heilig kastje’, dat in vele gezinnen een lange tijd centraal stond: de televisie. Vandaag deel 2 Vorige week eindigde ik met de mededeling dat de directie van de PTT de concurrentie met de op te richten CAI’s wel op een neutrale wijze wenste aan te gaan. Men dacht dit probleem te kunnen oplossen met een neutrale opstelling. De Volkskrant van 3 februari 1964 meldde bijvoorbeeld dat de grote baas van de PTT, Professor Ir. G. Bast, die steeds was opgetreden als de man achter het experiment met de draadtelevisie, had verklaard dat de PTT de handen geheel zou aftrekken van de feitelijke exploitatie van de draadtelevisie. Hij gebruikte daarbij zelfs een strengere formulering dan in het rapport was neergelegd. Daar heette het, dat de PTT "in principe zich alleen met de transmissie zal bezig houden." Ter verduidelijking zei Bast in de krant het volgende: "Wij zullen alleen voor het transport van de programma's zorgen, voor de rest willen wij er helemaal buiten blijven. Wij kunnen een groot aantal omroepmogelijkheden ter beschikking van het land stellen, maar het gebruik daarvan is verder niet onze zaak." Afbeelding: CAI Antenne Den Haag Niet iedereen was blij met die neutrale stellingname. Er werd zelfs daadwerkelijk over machtsmisbruik van het staatsbedrijf gesproken. De klare taal van professor Bast ging ook niet aan de leden van de Tweede Kamer voorbij. KVP (Katholieke Volks Partij) afgevaardigde Baeten, die tevens bestuurslid was van de KRO, zei: "Ik heb de indruk dat de directie van de PTT bekwaam manipuleert met technische mogelijkheden, zonder voldoende oog te hebben voor de juridische en culturele consequenties." Ook binnen de omroepen zelf heerste er de nodige ontstemming. De komst van de kabel met al haar keuzemogelijkheden, betekende voor hen dat ze met andere stations zouden moeten gaan concurreren om de kijkersgunst. Uit vrees daarvoor, richtten zij zich in hun kritiek onder meer op het punt van de auteursrechten. Dit omdat de omroepen toentertijd wel moesten betalen voor auteursrechten, terwijl de PTT tijdens de experimentele uitzendingen hiervan werd vrijgesteld — tenminste waar het ging om de uitzendrechten van buitenlandse programma's. Andermaal het Kamerlid Baeten, die in dit geval duidelijk twee petten op had: "Het doet op zijn minst vreemd aan dat de buitenlandse omroeporganisaties en uitvoerende kunstenaars bij relayeren van hun programma's door Nederlandse omroeporganisaties wél vergoeding van rechten en kosten ontvangen, doch dat zij door heruitzending door een staatsmaatschappij, via een oneigenlijk centraal antennesysteem, in het geheel niets ontvangen." Baeten was niet de enige, die het punt van de auteursrechten aangreep om de PTT te veroordelen. Ook het Kamerlid Kieft van de ARP (Anti Revolutionaire Partij) en tevens tweede voorzitter van de NCRV, klaagde, zonder in detail te treden: "Er is ontsteltenis in het buitenland en ik kan U zeggen dat het PTT-experiment in Europese kringen veel alarm heeft veroorzaakt." Maar Ir. Baten weerlegde die uitspraak meteen: "Er is geen ontsteltenis in het buitenland. Integendeel, er kwam een, speciaal aan ons experiment opgedragen televisieprogramma uit Duitsland met als titel Herzlich Willkommen. Zouden ze dan boos op ons zijn? Het is onzin dat de Nederlandse deelneming in de Eurovisie uitwisseling in gevaar zou komen door het centraal antennesysteem. De zaak van de auteursrechten is door de PTT juridisch verkend. Eigenlijk zou een uitspraak van de Hoge Raad nodig zijn." Tussen twee vuren. De regering — in die tijd het confessionele kabinet Marijnen (1963-1965) — achtte het evenwel niet opportuun om in deze discussie mee te gaan. Het televisiebestel vormde op dat moment een netelig punt van politieke discussie. Ook de overheid hield zich daarom liever even op vlakte. In de Tweede Kamer legde minister Bot, de toenmalige verantwoordelijke voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, uit dat de zaken niet zo scherp gesteld moesten worden: "Het staat helemaal niet bij voorbaat vast dat voor de programma's, die via dit systeem worden doorgegeven, auteursrechten moeten worden betaald. De praktijk in andere landen, zoals Amerika en Canada, Duitsland en België en hun bestaande regelingen, wijzen in een andere richting. Internationaal gezien is het ook zo dat men de zaak binnen de draadomroep niet zo ver wil doordrukken dat men er toe over moet gaan tot de invoering van de betaling van auteursrechten." De regering zat tussen twee vuren. Tegenover de weerspannige omroepverenigingen, stonden diegenen die maar al te graag via de kabel aan de slag wilden gaan. Zo lag er bij het voornoemde ministerie al een aanvraag van de Hagenaar Nijhoff, die via de draadtelevisie van de PTT in die stad reclame-uitzendingen wilde gaan verzorgen. Hij was de eerste en de minister verwachtte dat er drommen mensen zouden volgen: "Het is ook mogelijk eigen streekuitzendingen, voor bijvoorbeeld plaatsen als Amsterdam, Rotterdam en Utrecht te gaan maken. De plaatselijke middenstand zal graag gebruik gaan maken van deze toekomstige mogelijkheid de klanten te kunnen benaderen. In theorie zouden we zelfs de keuze kunnen gaan maken tot invoering van reclame via de televisie of de radio." Met die laatste opmerking verwees de minister indirect naar het Tijdelijk Televisiebesluit van 1956, waarin de toestemming tot het uitzenden van reclame op de televisie aan de minister was toegewezen. Maar of het er van zou komen, het verzorgen van lokaal dan wel regionaal gerichte televisie uitzendingen — al dan niet met reclame — was nog lang niet duidelijk. Er was al veel politiek getob geweest, onder meer naar aanleiding van de Nota Reclametelevisie uit 1961. Begin 1964 was Van Aartsen, de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, nog druk doende om met een commissie, de zogenaamde Pacificatiecommissie, een rapport over dat onderwerp samen te stellen. Tot die tijd heerste er onzekerheid. En ook over de algehele invoering van het Centraal Antenne Systeem liet de overheid haar burgers in het ongewisse. De onzekerheid was groot en ook de directeur van de PTT geloofde niet in een snelle beslissing. Onder verwijzing naar het zogeheten Vervolgrapport Draadomroep (1963), zei hij: "We hebben vorig jaar al een tussenrapport gestuurd aan de regering en neem van mij aan dat het zeker niet voor de zomer van 1965 zal zijn, alvorens de politiek zo ver is gevorderd dat er een besluit kan worden genomen over de officiële intreding van draadtelevisie in ons land." Stoute dromen. Van haar kant zag het staatsbedrijf wel mogelijkheden in zo'n landelijk systeem van kabeltelevisie. De kosten, voor een totale invoering van deze vorm van distributie in de Randstad, werden bestempeld als "niet duur". De investeringskosten per aansluiting op een dergelijk net in grote steden, werden begroot tussen de honderd en honderddertig gulden. Andermaal professor Bast namens de PTT: "De belangstelling van het publiek is veel groter dan wij in onze stoutste dromen hadden durven verwachten. Die interesse zal alleen nog maar groter worden als eventueel ook streekuitzendingen, via de draad, kunnen worden doorgegeven. Nederland heeft het voordeel dat sinds enkele jaren een zogenaamde standaardaansluiting mogelijk is. Hierbij kan niet alleen het telefoonsignaal worden doorgegeven, maar kan het systeem ook worden gebruikt voor doorgifte van signalen van het toekomstige centrale antennesysteem. De PTT kan ongeveer honderdduizend woningen per jaar op een landelijk centraal antennesysteem aansluiten." De PTT — dat was wel duidelijk — zou deze zaak niet alleen aankunnen. Bij elkaar genomen ging het immers om een investering van enkele honderden miljoenen guldens — en dat in bedragen van 1965. Men hoopte daarom ook op samenwerking met verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en woningbouwverenigingen, waarmee collectieve contracten zouden kunnen worden afgesloten voor de aansluiting van hele woonblokken op het systeem. De toekomstige kosten van een collectief abonnement zouden dan niet al te hoog worden. De PTT-topman verwachtte dan ook dat zo'n abonnement als een meerprijs in de maandelijkse huurafdracht zou kunnen worden doorberekend. Wordt vervolgd. Hans Knot, 6 juli 2019 Deze column verscheen eerder in 2001 op www.soundscapes.info
  22. Meer dan 55 jaar geleden, in maart 1964, begonnen de uitzendingen van Radio Caroline vanaf het zendschip de MV Fredericia dat voor anker lag voor de kust van Engeland. Radio Caroline verliet de ether in maart 1968, toen financiële problemen een einde maakten aan de uitzendingen. Daarna volgde nog een aantal pogingen om het station nieuw leven in te blazen. Het vijfde en redelijk serieuze initiatief startte op zaterdag 26 januari 2002, toen Radio Caroline via de kabel in de huiskamers van Noord- en Oost-Nederland te horen viel. De opening werd feestelijk gevierd op het party-schip Regina Andrea in Harlingen. Hans Knot haalt herinneringen aan die dag weer naar boven door terug te gaan naar het verhaal wat hij de daarop volgende dag schreef. Voor Engeland was het de Ier Ronan O'Rahilly die als eerste met het idee kwam om serieus commerciële radio te beginnen vanaf een zendschip. Hij werd daarbij geïnspireerd door het succes van Radio Veronica voor de Nederlandse kust. Nadat zijn idee werkelijkheid was geworden, volgden vele andere succesvolle en minder succesvolle zeezenders die alle op hun manier een stukje radiogeschiedenis schreven. Het gebeuren maakte deel uit van een opstand tegen overheden, die in zowel Engeland als in Nederland — om maar twee duidelijke voorbeelden te noemen — geen inbreuk wilden op het publieke omroepbestel. In beide landen werd de opstand uiteindelijk onderdrukt. In Engeland werd in augustus 1967 een wet van kracht waarbij de zeezenders als het ware werden verboden. Radio Caroline ging echter door tot maart 1968, toen financiële problemen een einde maakten aan wat achteraf de eerste periode van het station kan worden genoemd. Radio Caroline slaagde er namelijk in om terug te komen. In 1970 nam RNI een week lang de naam aan van Radio Caroline gedurende een campagne ter ondersteuning van de Conservatieve Partij tijdens de Brits verkiezingen. We kunnen dat moeilijk rekenen als een officiële nieuwe start. Dat is wel het geval toen Radio Caroline zich in september 1972 opnieuw liet horen. Het was het begin van een tweede periode die zou doorlopen tot maart 1980, toen het toenmalige zendschip, de MV Mi Amigo, voor de Britse kust zonk. Het was overigens voor het radiostation een tijdperk met veel vallen en opstaan. In 1983 was Radio Caroline weer terug en daarmee werd de derde periode een feit. Uitzendend vanaf een nieuw schip, de MV Ross Revenge, met sterke zenders, was het station ver te beluisteren. Net als in de jaren zeventig werd het station ondersteund door Nederlanders en Vlamingen, die wel geld wilden investeren in ruil voor een tweede station op het zendschip. Ondanks dat de autoriteiten in augustus 1989 illegaal ingrepen en een tijdelijk einde maakten aan de uitzendingen, kwam het station nog enige tijd terug in de ether totdat een stranding andermaal een einde maakte aan een tijdperk. De vierde start wil ik toewijzen aan de pogingen van Peter Moore, de station manager sinds 1987, bij het runnen van de diverse kortstondige uitzendingen vanaf verschillende locaties in Engeland. Hierbij werden onder de zogenaamde Restricted Licences, afgegeven door de Britse Radio Authority, telkens gedurende 28 dagen lang uitzendingen verzorgd. Ook via diverse satellietprojecten heeft Moore aangetoond, dat er nog een toekomst was voor een dergelijke opzet, hoewel zeer kleinschalig en met een team van louter vrijwilligers en een beperkt luisterpubliek. De vijfde start was dan op 26 januari 2002 en wel legaal in Nederland. Vanuit een studio in Harlingen worden de programma's verspreid op de kabelnetten van Essent in Noord- en Oost-Nederland, terwijl ook UPC op haar deel van het Friese kabelnet de programma's verzorgde. Een grote schare zakelijke relaties, medewerkers en persvertegenwoordigers waren om elf uur in de ochtend van 26 januari 2002 aanwezig bij de officiële opening. Een aantal duikers kwam rond die tijd aan bij het party-schip dat voor de festiviteiten was ingehuurd. Hun taak was om iets, dat blijkbaar vermist was, op te duiken. Nadat ook nog eens een politiemotor en politieauto met loeiende sirenes bij het schip waren gearriveerd als escorte van een soort onderwereldfiguur in een Rolls Royce, werd het opgedoken object overgedragen. Het bleek een oude stereo-set, die vervolgens werd aangesloten aan een "kabel". Met deze act was Radio Caroline Nederland destijds een feit. Kort daarop, om twaalf uur in de middag, namen de uitzendingen een aanvang met Sietse Brouwer, de initiator van Caroline Nederland. Tijdens een toespraak stelde hij dat het niet om een aparte organisatie ging, maar dat de Nederlandse activiteiten en die van de Engelse organisatie — satelliet en internetuitzendingen — gezien dienden te worden als één organisatie. Caroline Nederland was juridisch gezien wel een aparte onderneming, aangezien voor dit doel in Nederland een BV was opgericht. De eerste twee platen die werden gedraaid, benadrukten de continuïteit. Het waren twee typische Caroline songs: "All You Need Is Love" van The Beatles en — heel toepasselijk — "Fool If You Think It's Over" van Chris Rea. Ik stelde destijds wel de vraag of er toekomst was voor Caroline Nederland. Kabelradio beperkte het luisterpubliek. Op een kabelstation kon men immers niet afstemmen op het werk of in de auto. Slechts de huiskamer en andere plekken binnen het huis vielen binnen het bereik van deze poging van Radio Caroline. Duidelijk viel in de eerste programma's te merken dat men vooraf wel gezorgd had voor enige financiële ondersteuning, middels bedrijven die de organisatie sponsorden en zorgden voor advertenties. Een goede zaak, aangezien dit bij diverse eerdere pogingen aanvankelijk node werd gemist. Ook met de deejays zat het die keer wel goed. Onder de aanwezige deejays, die de moeite hadden genomen uit diverse landen over te komen, troffen we onder meer Andy Brookes en Chris Kennedy — die beiden eerst de boot naar Nederland hadden gemist. Verder waren er Graham Gill, Steve Gordon, Graham L. Hall, Dave Forster, Rob Ashard en Barry James. Zij allen en anderen werden verantwoordelijk voor de presentatie van de Caroline-shows, die niet alleen LP-tracks maar ook andere muziek uit de pophistorie en rockmuziek zouden brengen. Uiteraard met de van Caroline bekende boodschap van "Loving Awareness". Want daar, aldus Sietse Brouwer, had Ronan O’Rahilly andermaal op aangedrongen. Inmiddels zijn we meer dan 17 jaren verder en is er veel meer te doen geweest rond Radio Caroline, maar daarover een andere keer meer. Hans Knot, 22 juni 2019
  23. Begin jaren tachtig was het format ‘Disco Radio’ tanende en was dit format een complete metamorfose aan het ondergaan in de hoofdstad van de disco, New York. WKTU-FM, het meest vooraanstaande station op discogebied in 1979, gebruikte nog slechts zelden de slogan ‘Disco 92’. En daar bleef het niet bij want vrijwel alle deejays van het station waren vervangen en van het oude team bleven er nog slechts twee over. Een ander station destijds was WBLS-FM, dat als slogan vaak en nog eens vaak ‘Disco and more’ gebruikte. Maar in 1980 was men daar ook afgestapt van het discoformat en draaide men de programma’s met de slogan ‘The Sound of the 80's’ met onder meer aandacht voor de nostalgie uit de jaren vijftig en begin jaren zestig. Denk bijvoorbeeld aan The Inkspots, Dinah Washington, Bing Crosby, Peggy Lee, Harry Belafonte, Louis Amstrong en meer. Frankie Crocker, de programmaleider van WBLS, verklaarde dat het station minder en minder disco wenste te gaan draaien en meer aandacht wilde besteden aan die muzieksoort die de laatste jaren in de verdrukking was gekomen. Hij noemde het format ‘Urban Contemporary’ en maakte van het station een groot succes. Zijn radioloopbaan zou tot 1985 doorgaan waarna hij de overstap maakte naar de televisie en ging werken als veejay bij VH-1, onderdeel van MTV in de VS. In 1980 werd een nieuw syndicate programma aangekondigd dat de naam ‘Clear Creek the music festival’ meekreeg en daadwerkelijk kon er gesproken worden van een festival gevuld met country muziek. Het bleek een 24 uur non stop programma te zijn, dat door TM Productions in Dallas was ontwikkeld. Vijftig van de toenmalige grootste sterren waaronder Dolly Parton, Willy Nelson, Larry Gattin, Crystal Gale en vele anderen passeerden de revue in een 24 uur durend nonstop programma. Deze shows waren voor alle stations in de States te koop. Ron Nickel en Jack Allex stelden het programma samen. Heden ten dage is de naam van de show veel voorkomend bij de organisatie van allerlei openlucht muziekfestivals. Dan was er begin 1980 Weedeek Marketing Corp., een nieuwe syndicator die opereerde vanuit Los Angeles. Twee programma’s, te weten ‘Inside Rock’ en ‘Country Report’ werden op de radiomarkt gebracht. Het waren allemaal interviews met artiesten van maximaal 3 minuten aan lengte, die door de programma's van rock en country stations konden worden gedraaid. Een persbericht van de onderneming meldde dat meer als 100 stations in de Verenigde Staten zich reeds hadden aangesloten op de service van Weedeek. Charlie Tuna sprak trouwens de verbindende teksten in. Zoek voor de aardigheid eens via google naar Weedeek Marketing Corp. en je zult verbaasd zijn dat er van de onderneming zelf bijna niets is te vinden maar dat er aardig wat pagina’s van oude afleveringen van Freewave tevoorschijn komen. Natuurlijk waren er de nodige symposia en seminariums als het ging om de radiobeleving. ‘Answer for the 80’s’ werd bijvoorbeeld in 1980 het centrale hoofdonderwerp van het jaarlijkse Country Seminarium, wat dat jaar voor de elfde keer in successie werd gehouden. Het vond plaats op 14 en 15 maart in Nashville, uiteraard de meeste geschikte plaats voor een dergelijk gebeuren. Ook werden de problemen voor de country stations behandeld, onder voorzitterschap van Don Boyles, destijds deejay op WSUN in St. Petersburg. Verdere onderwerpen die van belang waren tijdens het tweedaagse samenzijn: Hoe uit te vinden wat de wensen van de luisteraar zijn; hoe de marktwaarde van het station zoal te kunnen onderzoeken; hoe te handelen bij economische en sociale veranderingen en hoe je staande te houden als station in je regio. KTIB-AM in Thibodaux had in januari 1980 een algemene ban uitgesproken tegen alle platen die door CBS in Amerika werden uitgebracht. Dit betrof ook de platen van andere labels die door CBS werden gedistribueerd. Reden was dat men niet voorkwam op de verzendlijsten voor nieuwe platen van CBS. Jimmy Cole, destijds programmaleider van KTIB, liet zich zelfs niet omkopen toen een plugger met 300 EPIC elpees langs kwam. Volgens Cole schoof CBS het voorval op een computerfout en had men al zes maanden belooft het probleempje op te lossen. En dan nog kwam er eind 1979 een programma van producer en deejay Peter Bochan op de radiomarkt. Hij had speciaal voor AOR geprogrammeerde stations destijds twee nieuwe series ontwikkeld. ‘Short cuts to the 80'5’ en ‘Short cuts through the 70'5’. De twee programma's bestonden uit montages van interviews en muziek gemixt met zaken over dagelijkse gebeurtenissen en politiek over 1979 en de 70’er jaren. Het eerste programma duurde een uur en het tweede twee uur. Het is door vele Amerikaanse stations tijdens de jaarwisseling 1979/1980 uitgezonden. Peter Bouchan werd bekend door de wereldberoemde Buddy Holly Story, die in 1979 door de TROS werd uitgezonden in het programma ‘Poster’. wordt vervolgd. Hans Knot, 18 mei 2019
  24. In de historische column neem ik je in de maand mei telkens mee naar de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. In de eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de vorige eeuw was mijn interesse in de Amerikaanse en Canadese radio zeer groot te noemen. Ik had een redelijk aantal personen in die landen waarmee ik programma’s uitwisselde en bovendien was het Meindert Dikboom die mij met regelmaat zijn Bilboard Magazines uitleende om op de hoogte te blijven van allerlei ontwikkelingen, vooral op het gebied van allerlei interessante syndicate firma’s. Uitwisselen van programma’s ging natuurlijk niet met die snelheid als heden ten dage via internet mogelijk is. Het duurde allemaal langer maar maakte het wel spannender om af te wachten wat er over een aantal weken weer op de mat zou liggen aan verrassende radioprogramma’s met een grote variatie aan formats. In de eerste twee nummers van Freewave Media Magazine van 1980 bracht ik een aantal onderwerpen om de lezers ook te informeren over mijn liefde voor de Amerikaanse radio, wat ook weer, na een tijdje, resulteerde in een aantal Nederlanders en Vlamingen dat de interesse ook met mij ging delen. Zo was er in die tijd ‘The Electric Weenie’, een onderneming van Tom Adams sr., die grappen en grollen over de gehele wereld leverde, vaak in de vorm van zogenaamde one-liners. Luisterend in die tijd naar de programma’s van Hilversum 3 op ‘TROS Donderdag’ hoorde je Klaas Vaak (Tom Mulder) regelmatig grappig uit de hoek komen. Iedereen dacht dan, dat de favoriete TROS-deejay enorm veel fantasie had op dit gebied, maar met die conclusie zat men er goed naast. Tijdens een eerdere periode, in de jaren zestig, dat hij naar zijn werk bij Radio Veronica ging, zette hij wel eens de auto aan de kant van de weg om weer eens een mop op te schrijven, die hij van Tony Blackburn in het ochtendprogramma hoorde op BBC Radio One. Een week later was de grap, maar dan in het Nederlands, vervolgens op Radio Veronica te beluisteren in het ochtendprogramma van Klaas Vaak. Maar het merendeel van de grappen in de latere TROS-periode, werden aan Tom Mulder toegeleverd door een andere Tom en wel Tom Adams, schrijver en uitgever van de ‘Electric Weenie’, destijds wonende op Hawaï. Iedere maand bracht Tom Adams een zogenaamde ‘joke sheet’ uit, die hij per post toestuurde aan meer dan 1000 deejays verdeeld over de gehele wereld. Met zijn grappen en grollen heeft Tom Adams er destijds toe bijgedragen dat deejays als Gary Owens en Ian McRea onderscheiden werden als ‘beste deejay van het jaar’ in respectievelijk Amerika en Australië. Zelf was Tom Adams in 1980 ook deejay bij het station WAKU in Honolulu. De sheets van ‘The Electric Weenie’ werden speciaal geschreven voor 'personality' deejays, die juist de grappen nodig hadden om populair te blijven en voor die deejays die zo snel mogelijk aan de top wensten te komen. Sinds 1970 gaf Tom Adams al zijn ‘Electric Weenie’ uit en de zeven deejays die hij als eersten mocht inschrijven als lid-abonnee, waren in 1980 nog steeds afnemer van zijn grappen en grollen. Er kon destijds gesproken worden van een duidelijk succes. Trouwens naast deze Electric Weenie Service waren er nog vele anderen in Amerika. Tom Adams was trouwens niet alleen bekend om zijn Electric Weenie want hij werd zowel in 1972 als 1973 uitgeroepen door Billboard Magazine tot ‘Radio Personality of the Year’ als voornaamste persoon op het gebied van Oldies Radio. Ook publiceerde hij een aantal jaren een column genaamd ‘My favorite jokes’ in ‘The Parade Magazine’. De reeds jaren geleden overleden Tom Adams zijn werk wordt in ere gehouden door Tom Edwards jr. die sinds 2013 de digitale versie van the Electric Weenie uitbrengt. Voor meer info ga naar: http://www.thedigitalweenie.com/tomadams Trouwens terugkijkend op de vele uitwisselingen in de voornoemde periode, die liep van 1974 tot en met 1994, werden er vele honderden uren aan radioprogramma’s met radiovrienden in Amerika en Canada uitgewisseld. Eén van deze personen was Ron C. Jones uit Canada. Ik stuurde hem telkens 4 cassettes van elk 1,5 uur aan zeezender opnames en hij leverde veel vooral Canadese radio en bracht mij ook in de wereld van Dr. Demento, de man die de meest gekke muziek in zijn programma’s, die via een syndicator werden verspreid, bracht. Tussen de ene zending en de andere zat vaak zes weken ruimte. Op een bepaald moment in 1991, nadat ik al tijden niets meer had gehoord van Ron C. Jones en mij zorgen begon te maken over zijn eventuele bestaan, kwam alsnog een pakket uit Willowdale in de staat Ontario. Niet alleen zaten er nieuwe cassettes in maar ook een verklarende brief waaruit bleek dat het vliegtuig, waarmee de cassettes uit Canada, via de VS, waren gevlogen, was neergestort. Uiteindelijk had de luchtvaartmaatschappij van de autoriteiten nog de deels geredde materialen teruggekregen en was de uit Canada verstuurde brief alsnog gered. Wordt vervolgd. Hans Knot, 4 mei 2019
  25. Het kan soms gebeuren dat allerlei zaken samen komen zoals tijdens de Paasdagen toen er heel mooi weer was om volop buiten te genieten van de natuur. Al fietsend in de Drentse natuur gingen de gedachten naar een paasvakantie die Jana en ik op het eiland Schiermonnikoog doorbrachten. Het zal in het begin van deze eeuw zijn geweest, waarbij een groot deel van de drie dagen die wij er waren dik ingepakt door de sneeuw werd gelopen. Na de fietstocht was het ontspannen middels onder meer het draaien van de soundtrack van de film ‘Superfly’, waarin de muziek was gecomponeerd door Curtis Mayfield. Eén van de nummers, Junkie Chase, bracht de gedachten ook weer bij winterse zaken, namelijk bij ijshockey en om precies te zijn bij HIJS Veronica 538, dat de thuiswedstrijden speelde in de Uithof in Den Haag. Radio Veronica was de sponsor van het team en dus werden de thuiswedstrijden altijd gepromoot op de 538 waarbij de spots vaak werden ingesproken door Frans Hinrichs. En daarbij werd altijd het nummer ‘Junkie Chase’ van Curtis Mayfield gebruikt. Maar er was meer ijsgeweld want in januari 1973, om precies te zijn op zaterdag 6 en zondag 7, werd voor het eerst de Wereldbeker Hardrijden voor profs verreden. In de periode voor deze, door de ISSL georganiseerde, wedstrijden werd er door Radio Veronica een groot aantal spots uitgezonden om de wedstrijden, die mede gesponsord werden door de directie van het radiostation, te promoten. Hierbij werd ook gebruik werd gemaakt van dezelfde muziek, Junkie Chase. Uit de spots werd duidelijk dat er bekende schaatsers uit die tijd het risico hadden genomen verbannen te worden om niet langer deel te mogen nemen aan de wedstrijden zoals die door de International Skating Union werden georganiseerd. Reden genoeg om eens in het archief te duiken want daar ligt ook het nodige aan de fanatieke periode die ik samen met mijn oudere broer Jelle had inzake onze adoratie voor de Nederlandse schaatsers uit die tijd. Er werden vele zaterdagen doorgebracht in de krantenarchieven van het Nieuwsblad van het Noorden, waarbij allerlei leggers werden doorzocht op uitslagen van EK en WK wedstrijden in de eerste zeven decennia van de vorige eeuw. Stuk voor stuk werd alles uitgewerkt, niet wetende dat 40 jaar later je via internet alles binnen een paar klikken zou kunnen naar boven halen. Want wie weet van onze generatiegenoten niet de namen als Ard Schenk, Kees Verkerk, Jan Bols, Eddie Verheijen maar ook bijvoorbeeld Erhard Keller, Roar Gronveld en Willy Olsen. Zoekende na meer informatie kwam een krantenknipsel naar boven van maandag 8 januari 1973 waaruit blijkt dat de wedstrijden in Den Haag werden omschreven als een groot fiasco. In het artikel van de GPD gaf de Amerikaanse leider van de profliga (ISSL), Ned Neely, toe dat bij de voorbereiding organisatorische fouten waren gemaakt waarvan men zeker in de toekomst van zou gaan leren. Daarbij doelde hij vooral op het weinige publiek dat er bij de wedstrijden aanwezig was, tenminste aanzienlijk minder dan begroot werd. Het artikel meldde verder: ‘Opvallend was dat niemand der direct betrokkenen, zowel officials als schaatsers, durfde te erkennen dat de toekomst voor het profschaatsen er zeer donker uitzag’. Eén van de initiatiefnemers was de oud-wereldkampioen schaatsen allround en voormalig olympisch kampioen Johnny Nilsson uit Zweden. Andere belanghebbenden waren de Amerikaan Edgar A. Neely uit Atlanta, de advocaat Bengt Eriksson uit Stockholm, de Amerikaanse geldschieter W. H. Moore Jr. uit Eastover en de promotor Tom Liden uit Zweden. De opbrengsten aan kaartverkoop was, zo bleek later, bij lange na niet genoeg om de prijzenpot daarvan uit te keren. Er werd namelijk voor een totaalbedrag van f 180.000,-- uitgekeerd aan de 16 gecontracteerde schaatsers. Gelukkig was bij de oprichting van de ISSL het nodige door de organisatoren en financiers in de pot gedaan, waardoor er nog een aantal wedstrijden konden worden gehouden in 1973 als ook in 1974. Daarna werd de ISSL opgeheven. Winnaar van de allround wedstrijden, Ard Schenk, stelde destijds: “Als je je hebt ingesteld op 18.000 tot 19.000 toeschouwers is dit natuurlijk wel een grote tegenvaller. Om het prófschaatsen tot een volledig succes te maken dienen er zeker 20.000 mensen te komen. Schaatstechnisch is alles goed verlopen, organisatorisch niet. Als dit wordt verbeterd, en dan bedoel ik vooral de kaartverkoop, komt er beslist meer publiek". Ard Schenk was trouwens nog even onaantastbaar als de voorgaande drie jaar al het geval was. De overtuigende bewijzen daarvoor leverde de drievoudige wereldkampioen nog eens ten overvloede. Op drie van de vier afstanden eiste hij met bijna superieur gemak de overwinning voor zich op. Alleen de 10.000 meter werd door Verkerk gewonnen hoewel met minimaal verschil. Op de zaterdag waren er een kleine 5000 toeschouwers en via een haastige actie, waarmee jongeren tegen sterk gereduceerde toegangsprijs op zondag naar de baan waren gelokt, was het fiasco er nauwelijks minder om. Zie hier de eindklassering van de wereldbeker wedstrijden inclusief de informatie inzake de verdiende bedragen in guldens. Klassementrijders 1. Schenk 34.500 2. Olsen 24.100 3. Bols 14.700 4. Verkerk 10.740 5. Grönvold 7.260 6. Verheyen 7.440 7. Tveter 6.280 8. Höglin 5.620 Sprinters 1. Keiler 23.100 2. Börjes 19.140 3. König 9.240 4. Linkovesi 7.260 5. Eriksen 6.600 6. Hanninen 5.940 7. Lyman 5.280 8. Blatchford 4.620 Hans Knot, 27 april 2019 Afbeelding: Ard Schenk
×
×
  • Create New...

Important Information

By using this site, you agree to our Terms of Use, Privacy Policy and We have placed cookies on your device to help make this website better. You can adjust your cookie settings, otherwise we'll assume you're okay to continue.